vrijdag 28 maart 2014

FRANS MINK - Bloemlezing



Foto: Frans de Looij, juni 1974


EEN VOLDRAGEN LEGAAT VAN SPEL EN PLEZIER

Bloemlezing uit het werk van Frans Mink (1950-2013)

Precies een jaar geleden, in dezelfde maand februari althans, overleed dichter en beeldend kunstenaar Frans Mink (1950) alsnog aan de gevolgen van een in de zomer van 2011 toegeslagen herseninfarct. Ter gelegenheid van zijn dus niet bereikte 64e verjaardag bracht de actieve, in poëzie gespecialiseerde uitgeverij Kleinood & Grootzeer een bloemlezing met een bondige keuze uit het oeuvre van Mink op de markt. De samenstelling was in handen van Bert Bevers, die tevens voor de inleiding zorgde.

Frans Mink werd geboren in Rotterdam, verhuisde in zijn jeugd naar het stadje Tholen maar bracht op een Tilburgs intermezzo na zijn hele arbeidzame bestaan door in Bergen op Zoom. Hij manifesteerde zich na een studie aan de kunstacademie in Breda eerst, eind 1972, als visueel artiest, met een solotentoonstelling in de al lang verdwenen galerie De Trap Op in het Bergse havenkwartier. Kort daarna verscheen zijn in eigen beheer gepubliceerde debuutbundel, 'Opruiming nu, 1,99', te koop aangeboden voor datzelfde bedrag in guldens. Titel en prijs zijn kenmerkend voor de humoristische, niet zelden ironische aanpak die Mink zou blijven gebruiken. Iets later was hij mede-oprichter van de landelijk opererende stichting Drukwerk in de Marge en de aanvankelijk regionaal gerichte poëzie-uitgeverij WEL.

Als auteur liet Mink vijftien titels na, waarvan ‘SpontaniTIJD’ alleen proza bevat, maar dan wel variërend van aforismen tot sprookjes en van moppen tot een ‘Grote Nietzschepuzzel’ à la Mondriaan! Sommige titels zijn op zich al waard om geciteerd te worden. Wat te denken van ‘.. -.- …. --- ..- …- .- -. ..- ’ waarschijnlijk de eerste poëzietitel in morse, en van ‘(Mijn)˄(Bril) afzetten en een blind vertrouwen hebben in de toekomst’ of van ‘Het vierendelen van Balthazar Gerards / in 4 delen /’?
Hoewel hij zich de laatste jaren lyrischer ging opstellen, vaak meer woorden nodig had, liet Bevers zich bij zijn keuze leiden door de meest karakteristieke teksten en die dateren, direct of indirect, uit de eerste helft van Minks carrière. Terecht haalt de samensteller in zijn inleiding de invloed van de tijdschriften Barbarber en Gard Sivik aan. Bovenal was Mink echter het prototype van de homo ludens, de spelende mens zoals die voorgestaan werd door met name de Cobra-beweging. Van enige drang naar heftige emotionele expressie of verbaal oproer was hij dan vreemd genoeg weer gespeend. Hoe ongecompliceerd hij zich ook wilde voordoen, een erfenis van zijn geboortestad wellicht, Mink droeg de nodige tegenstellingen in zich mee.

Zoals zijn jeugdwerk al aantoont, was hij veeleer een geestverwant van dichters als Cees Buddingh', Gerard Brands en K. Schippers dan een navolger. Zijn teksten lijken te worden aangeblazen door een mateloze verwondering om de schijnbaar aller-gewoonste zaken en gebeurtenissen en zeker ook door humor dus, variërend van milde ironie tot hilarische momenten. Met zijn vele optredens had hij in dat opzicht steevast succes. Ook is er vaak een filosofische verdieping. Behalve op woordgrappen was hij tuk op tegenstrijdigheden, bizarre wendingen in de dagelijkse realiteit en de al dan niet magische vervreemding die daar het gevolg van kan zijn, in even grote mate als waarin hij wars was van gewichtigdoenerij, prietpraat en elke vorm van elitarisme. In dezelfde lijn ligt zijn credo als uitgever: "Gedichtenbundels moet je verkopen als warme broodjes." Hierin betoonde hij zich de nuchtere zoon van een middenstander, van een slager in dit geval.




Foto: Albert Hagenaars, Middelburg 2005.


Zijn ongedurigheid, zijn behoefte aan het verbinden van ogenschijnlijk niets met elkaar te maken hebbende elementen uit de dagelijkse werkelijkheid deden hem als kunstenaar naar o.a. de collagetechniek grijpen en als auteur naar de ready made. Zijn teksten kennen mede daarom vaak totaal verschillende lettertypes in een en hetzelfde gedicht, om over het gebruik van leestekens maar te zwijgen. Ook van een kleur of twee, drie extra was hij niet vies. De zegging is meestal parlandistisch. Niet toevallig kunnen ze met evenveel recht als proza benoemd worden. Eén voorbeeld van zijn werkwijze:



TOPPUNT VAN COLLAGE
/gedicht om geld mee te verdienen/

Een collage maken
van dubbeltjes & kwartjes,
deze inlijsten & verkopen.

De ontvangen briefjes
van tien en vijfentwintig
verwerken
in een volgende collage.

Deze collage / ook / verkopen
& de ontvangen briefjes
van honderd
verwerken
in de volgende collage.

Deze collage / natuurlijk ook / verkopen
& de ontvangen briefjes
van duizend...



Dezelfde onrust plus zijn maling aan voorschriften (wat zijn interesse in Dada verklaart, hij vroeg bijvoorbeeld aandacht voor de activiteiten van Kurt Schwitters in Drachten) zorgde er ook voor dat nogal wat teksten ontsierd worden door taal- en typefouten, los dan nog van een soms door hem nagestreefde alternatieve spelling.






Bevers beperkte zich tot slechts 35 gedichten. De een zal enkele bepalende verzen missen, de ander concluderen dat sommige bijdragen beter achterwege waren gebleven zoals hier en daar een pastiche, dat houd je nu eenmaal bij elke selectie. Feit is dat de keuze een corpus heeft opgeleverd dat in elk geval in onze provincie door niemand anders dan Frans Mink gerealiseerd had kunnen worden. Laat Minks gemiddelde poëtische slagkracht niet al te veel deuken in de perceptie kunnen slaan, in z'n eentje introduceerde hij hier toch maar mooi de principes van uiteenlopende richtingen en stromingen als bovengenoemde, wat zijn activiteiten ook historisch van belang maakt. Minks meest intelligente (maar tegelijk argeloos overkomende) beelden en zinnen en hun immer frisse, prikkelende perspectief staan garant voor meer dan een handvol voetnoten in de overzichten van de toekomst. Zij vormen het legaat van wie hij ten volle heeft willen en kunnen zijn.

FRANS MINK; ‘Bloemlezing’; 44 pagina’s; Samenstelling Bert Bevers; Uitgeverij Kleinood & Grootzeer; 2013; Bergen op Zoom; ISBN 978-90-76644-68-4; € 16,00.



Bovenstaande recensie werd ongewijzigd eerder gepubliceerd in het blad Brabant Cultureel, jrg. 63, februari 2014.


www.alberthagenaars.nl


zondag 2 februari 2014

JORIS IVEN - Shimizu




TOKYO ALS OEFENTERREIN VOOR ONTHECHTING

Albert Hagenaars over ‘Shimizu’ van Joris Iven

Het zou overdreven zijn ‘Shimizu’ van Joris Iven (1954) een bundel te noemen. Daarvoor bieden amper 8 pagina's gewoon te weinig kwantiteit. Toch bevat dit lange gedicht zoveel aanknopingspunten op verschillende gebieden, dat je er langer mee bezig kunt blijven dan met menige lijvige poëzie-uitgave. ‘Shimizu’ valt in dit opzicht te vergelijken met bijvoorbeeld ‘The Waste Land’ en ‘Awater’. Het parlando, dat vrijwel al Ivens poëzie kenmerkt, komt daar alvast mee overeen evenals het ontbreken van toeters en bellen in de beeldspraak, wat uiteraard nog geen garantie voor geslaagde poëzie oplevert.
Wat op het eerste gezicht een caleidoscopische beschrijving van de internationale handelsmetropool Tokyo lijkt, mag ook een kennismaking met de Japanse cultuur worden genoemd, of een onderzoek naar de eigen identiteit in een nooit voltooid scheppingsverhaal of, met nog meer recht, een spirituele queeste naar verlossing, naar bevrijding.





De titel, een samenstelling van shi (bron) en mizu (water), wordt verklaard door Nicole Van Overstraeten, die voor een lange en buitengewoon boeiende inleiding zorgde. Natuurlijk moet elk gedicht voor zich spreken en elke werkelijk geïnteresseerde lezer kan ook zelf achtergrondinformatie vergaren maar in dit geval garandeert Van Overstraetens vakkundig gevlochten relaas, niet voor niets is zij zelf ook dichter, een meerwaarde. Als adviseur van het NeTaGe, het Nederlandstalig Tanka Genootschap, vertegenwoordigt zij bovendien een stukje van de Japanse literaire traditie.
‘Shimizu’, symbolisch ook te duiden als zuiver water, verwijst naar het belang van het water voor het gebied waar Edo (delta) ontstond en groeide, de plaats die in 1868 Tokyo genoemd werd, ofwel Oostelijke Hoofdstad. De rivieren voeren nog steeds bergwater naar de stad. Iven maakt dankbaar gebruik van een van de vele tegenstellingen in zijn gedicht: puur water, materie van oorsprong, versus de door de enorme samengebalde bevolking vervuilde dagelijkse realiteit. Hij rekent daar ook de mentale verloedering toe:


Zeker, op de beurs schreeuwen zij om meer,
de mannen,
en in de ondergrondse doorbladeren zij pornostrips
met felkleurige, schreeuwlelijke figuren,
heerszuchtig en kwellend.
Hun wang rust kalm in hun hand,
maar in hun gedachten gaat het om liefde en geld.
Hun ziel is een eenzame hoer in de uitgespreide vlakte
van de Tana-rivier en de Koma-rivier
.


Maar net zoals in de Japanse cultuur, gevoed door Zen, begrippen en ervaringen nogal eens in elkaars tegendeel verkeren, in elkaar overgaan, laat Iven hoeren in nimfen veranderen en omgekeerd, mensen in sterren, een bergmeisje in sneeuw, en het moderne stratenplan in de voormalige velden, die getuige de merkwaardig hevige plantenbloei midden in de stad, nog steeds doorwerken.
En, religieus gesproken, niet alleen de Japanse uitwerking van het Boeddhisme is actief, ook zijn er diverse fascinerende beelden die nog zinvoller worden als ze bijvoorbeeld gekoppeld worden aan Shinto, het oudst bekende Japanse geloofssysteem dat, simpel gezegd, grotendeels op natuurwaarnemingen en -vertalingen berust. Geen toeval dus dat Iven o.a. de zonnegodin Amaterasu opvoert, dochter van de oergod Izanami en heerseres de Hoge Hemelse Vlakten, en, verderop, broer Tsukiyomi, god van de maan.





Hij introduceert ook meermaals een bejaarde dichter en natuurlijk kan hij dat net zo goed zelf zijn. Hier volgt in elk geval een fraaie overgang, een suggestief voorbeeld tegelijk ook van de manier waarop het hoofdmotief water vermomd in andere vormen aan bod komt, in dit geval slijk dat enerzijds de geldwereld reflecteert en anderzijds twee tegengestelden verenigt:


Ik zet mijn weg voort tussen het gemurmel
langs de Tama-rivier, de Koma-rivier,
de rugwind die over de vlakte danst,
opgejaagd door de adder in het slijk.

Aan de afvaart van de veerboot zit een oude dichter
op de houten kade,
zijn gezicht in de schaduw van een hoofddeksel
van bamboebladeren.
Hij denkt zijn verschijning in het oeverriet
en omarmt in zijn regels het water,
de onthechting van een geduldig trage stroming
.


Het is niet moeilijk, gezien de vele spirituele openingen, van dit fragment te genieten. Als Iven zich al vereenzelvigt met een Japanse collega of een paradigmatisch personage, legt hij tevens een verband met zijn eigen bestemming want verderop heet het:


De bejaarde dichter bij de veerpont
staat op en verlaat de kade.
Is hij misschien een reïncarnatie van de fundamentele lichtheid
van de geest?



Omdat ook het slot voor meerdere interpretaties vatbaar is, sluiten die regels, uiteraard weer behoorlijk nat, bovenstaande mogelijke opzet van de dichter zeker niet uit:


Auto's doen nu het water opspatten
en slaan het over de trottoirs.
Passanten mijden het en redden hun pak.
Riviergolven in deze prachtige stad?
Jazeker! Herinner je het landschap onder het stratenplan,
een vluchtige bloem die plots opschiet tussen de mensen...
En zet dan je weg voort!
Op vrije dagen hoor je immers in Koto-ku
in de tred van winkelende vrouwen nog een vreemde cadans
.


Voor wie hieraan mocht twijfelen nog een toegift uit het hart van deze tekst die het gistend veile Tokyo tot een oefenterrein voor onthechting maakt:


Langs de Tama-rivier en de Koma-rivier
hoor je van pelgrims de zachte voetstappen,
de dreun van de eenzelvige cadans.
Het doel van de tocht is een einde zonder verlangen
.


Wat zou de lezer die door deze thematiek aangesproken wordt nu nog meer kunnen verlangen dan het aanschaffen van deze dunne en o zo rijke uitgave om er een eigen route in uit te stippelen?



JORIS IVEN; ‘Shimizu’; 28 pagina’s; Demer Uitgeverij; Juni 2013; Foto auteur: Hannie Rouweler; ISBN: 978-1-291-15740-6; NUR: 306; Prijs: € 15,00.



www.alberthagenaars.nl

woensdag 1 januari 2014

JAN RUWARD - Monalisa Blues




DE VEELKANTIGHEID VAN JAN RUWARD

Albert Hagenaars over Monalisa Blues

Wie van vaart houdt in proza, is bij Jan Ruward (wiens pseudoniem ik niet wil onthullen) aan het juiste adres. Deze in 1948 geboren Bredase auteur debuteerde in 2001 met de verhalenbundel ‘Het schot in de roos’ en publiceerde in 2004 ‘Intermezzo’, eveneens verhalen. Van elk boek kon ik maar één recensie vinden. Toen ik met de verhalen van ‘Monalisa Blues’ bezig was, herkende ik de opmerkingen in beide, elkaar deels overlappende, besprekingen meteen, zodat geconcludeerd mag worden dat genre, stijl en thematiek niet of nauwelijks veranderd zijn.

‘Monalisa Blues’ bestaat opnieuw uit drie delen, in dit geval van respectievelijk zes, vier en zes prozaschetsen. De titel is ontleend aan een songtekst van Bob Dylan: "But Mona Lisa must have had / the Highway Blues / you can tell / by the way she smiled". Het staat als motto boven de gelijknamige eerste bijdrage en terecht want het zet de toon van zowel dit langste verhaal (10 pagina's) als de bundel in totaal (nog geen 50). Verwijzingen naar haastig leven, kunst en muziek komen namelijk ook later terug. De tweede schets heet bijvoorbeeld ‘Spiegelblues’. De glimlach zorgt dan voor een contrapunt, in elk geval een punt want geenszins toevallig eindigen de laatste regels van het slotstuk met “de pianoblues van Salvador Dali" en een "Bella Graziëlla" (past het trema wel in deze Italiaanse setting?).

Centraal staan relaties tussen mannen en vrouwen. Die worden opgezadeld met enerzijds communicatieproblemen en begripsstoornissen en anderzijds aantrekkingskracht en seks, veel seks. Daarnaast richt Ruward zich op kunst, religie of op z'n minst spiritualiteit, internationale en ook interculturele verbindingen en allerhande verplaatsingen. Een voorbeeld van enkele van deze elementen, reizen en kunst, uit de mond van een Leonardo genaamd personage:
Het wordt tijd om te gaan reizen, ze wil niet mee, niet naar Vlissingen, naar de Boulevard, haar geboorteplaats, mag ik haar Michiel de Ruyter zijn? Ik ben geen zeeman hoewel ik nooit zeeziek was noch op de Noordzee noch op de Middellandse Zee, toen ik het roer overnam ver van de kustlijn, ik zou zelfs het Paaseiland kunnen bevaren. Straks ga ik met de auto naar Parijs, naar het Louvre, eerst naar de impressionisten en daarna naar de Mona Lisa. Dan pas kan ik haar portret maken in de beste traditie van de schilderkunst.”
Deze voor Ruwards doen nog rustige alinea, laat zijn werkwijze zien. De eerste zin bestaat uit vijf stukken die verbanden aangaan die allesbehalve helder en logisch zijn. Het voordeel daarvan is dat de lezer gedwongen wordt na te denken, keuzes te maken. Bedoelt de schrijver dat de dame in kwestie ergens in Vlissingen geboren is of in die stad precies op de Boulevard? De naam van de straat doet hem denken aan het beeld dat daar staat van de bekende admiraal en dit levert dan weer de mogelijkheid op zeeman te worden hetgeen overigens meteen met maar liefst vier negatieve woorden ontkend wordt wat hem er niet van weerhoudt alsnog het roer op de Middellandse Zee over te nemen en het Paaseiland te bevaren en in de erop volgende zin met de auto naar Parijs te koersen om daar een schilderstijl te zien en La Giaconda te bezoeken teneinde een goed portret te kunnen maken. Wat doen die impressionisten daar? Nadenkend stel je vast dat alvast één overeenkomst tussen die schilders en Da Vinci natuurlijk gebrek aan scherpte is, dankzij enerzijds het toetsgewijs aanbrengen van kleuren en anderzijds het gebruik van sfumato. Is dat een verwijzing naar wat hij zelf als auteur voorstaat?
Grammaticaal onjuist is natuurlijk de verbinding van een bevestigende zin en een vraag. Als dat echter een sterkere beleving oplevert dan het naleven van de regeltjes, is het artistiek verantwoord. Hoe dan ook heeft deze alinea vaart, je blijft lezen, je springt van alinea naar alinea.

De verbinding van seks en geloof, samenkomend in het perspectief van ene Valérie, is van hetzelfde laken een pak: “Die eerste keer wist ik me geen raad, wist niet wat te doen. We gingen naar boven en ik zag de haren op zijn benen, haren overal. Hij was pastoor en vertelde me gepassioneerd over zijn katholieke Kerk. Deze avond was alles anders, voor hem, en ook voor mij, als eerste klant. Toen hij binnenkwam in de Woeste Hoeve was ik nerveus want ik wist nog niks van hoe of wat en om hem te behagen toonde ik hem mijn volle ronde borsten. Zijn penis was stijf en groot, daar houd ik van en snel komen, zo was ik het gewend en goed op je polshorloge kijken, hadden ze nog gezegd. Time is money, wat was ik naïef voor de betaalde liefde. Hij was verrukt, ik was in verwarring, oh, waar was ik gebleven met mezelf.”
Kon je bij het eerste fragment nog twijfels hebben over de zuiverheid van de taalbehandeling, in dit tweede zijn duidelijk verschillende feilen aan te wijzen, fouten die op zich geen extra stuwkracht hebben. Stilistisch zwak is de overlapping in de eerste regel. Er moet geen hoofdletter in “Kerk” maar als je daar toch voor kiest zou je er dan ook geen willen voor “katholieke” wat op zich overigens een pleonasme is omdat we al net lazen dat er een pastoor actief is. Het is zonder meer zwak om “als eerste klant” achter “mij” te zetten in plaats van achter “hem”. Volle en ronde borsten overlappen elkaar helemaal. Stijf en groot bij penis doen dat niet maar vormen evenmin een zinvol duo. Tenslotte is er opnieuw overbodigheid bij “ik was in verwarring” en “waar was ik gebleven met mezelf”, zeker in combinatie met de eerste regel van dit fragment. Dat zijn opvallend veel slordigheden in zo´n kort stukje tekst. Als zich hier een ervaren redacteur over gebogen had, was er veel treffender proza ontstaan, sneller nog en daar moet Ruward het toch van hebben.

Zijn beschrijvingen blijven oppervlakkig en hebben al gauw last van clichés. Wat te denken van het volgende vrouwbeeld, waarmee het boek opent? “Zij is mooi, aantrekkelijk en sexy, haar ogen weerspiegelen wie ze is, uitdagend en nieuwsgierig, met haar prachtige zwart lang haar, haar volle rondingen, haar tuitende lippen.” Niets wijst erop dat dit als een parodie bedoeld is. Integendeel, ook andere, soortgelijke, odes zijn plat als een bankbiljet.

Ruward is ook in de weer met ‘namedropping’. Niet voor niets verwijst hij naar Kerouac. Het laten hagelen van namen kán goed werken in een verhaal maar in Ruwards teksten blijven ze zonder relevante betekenis, ontberen ze verdieping (die hij trouwens wel suggereert door bepaalde figuren op onverwachte plaatsen terug te laten komen). Een greep: Becket, Godot, Poe, Macbeth, Dali, Joyce, Ulysses, Magritte, Narcissus en Stockhausen, die bestoven worden door allerhande plaatsnamen, o.a. Pakistan, Mexico, Milaan en Turijn en dat alles in het bestek van een beperkt aantal pagina’s! Verwachtingen worden niet ingelost, het is te gemakkelijk.

Positiever werkt een onverhoeds opduikend gedicht, getiteld ‘Dichter bij de ziel’, waaruit de volgende regels: “Ik steek mijn hand / in de rivier // en voel het begin van iets / tegelijkertijd het eind / van niets // in dit wonderlijk lang / gespleten heden.// Geef me je schaduw // en ik laat je dichterbij / mijn ziel zien.” Los van het poëtische gehalte van deze regels, biedt de tekst, de vierde van deel 1 een welkome afwisseling met het slordige proza.




Het middenluik is korter en bevat vier afbeeldingen in zwart-wit, elk gevolgd door een kort stukje proza, getiteld ‘Metromania’ 1 t/m 4, waarin een Jozef K. opduikt en, in het verlengde daarvan Kafka’s Josef K. natuurlijk. Ruward verplaatst zijn speler qua locatie van een Midden-Europese rechtbank naar het perron van Pennsylvania Avenue, qua tijd naar 22 november 1893 (de datum staat op een metrokaartje), qua beroep van Bankprokurist naar bediende in een boekhandel en qua situatie van Der Prozess naar een Amerikaanse Verwandlung. Van de datum weet ik niet méér dan dat het de geboortedag van auto-ontwerper Harley J. Earl is en die van Masahary Tanigucihi, die ‘The Law of Mind in Action’ in het Japans vertaalde. En kijk, hier laat je je dan weer door Ruward in het zog van namen trekken zonder dat dit vooralsnog, ondanks zoekwerk op internet, tot een bevredigende duiding leidt. De verwijzingen kunnen het best gezien worden als pijltjes naar het werk van door Ruward bewonderde kunstenaars. In deze weinige regels zijn dat Joyce, Chaucer, Eliot, Lawrence en Donleavy. Daar staat dan weer tegenover dat Ruwards onderkoelde en soms absurde humor zalvend werkt. Een voorbeeld: “Terwijl hij een sigaret uit zijn morsige pakje neemt, bedenkt hij welk een wereld zich had geopenbaard wanneer hij de jonge vrouw had benaderd; niet hardhandig of zachtmoedig maar via de weg van de literatuur, de wereldliteratuur, hij zou zijn Alfa Romeo laten zien…” Een nuancering in grammaticale tijd ware beter geweest, bijvoorbeeld: “…bedenkt hij welk een wereld zich geopenbaard zou hebben, als hij de jonge vrouw had benaderd.” Nu staat er in zijn woorden feitelijk dat het allebei is gebeurd: het openbaren van een wereld én het benaderen van de vrouw maar valt het voegwoord niet met deze aanname samen.

Het derde deel kent weer prozafragmenten maar deze zijn bonter en tegelijk ijler dan die van deel 1. We vinden hier werkelijk de meest uiteenlopende zaken. Zo is er een autorit met een bijna fataal ongeluk die in Barcelona eindigt en de lezer enkele regels lager meevoert naar Monaco, Mars en Rome, wat tevens goed is voor het opduiken van de namen Aranjuez, Gaudi, Dali en Picasso.
Belangrijker is dat Ruward hier zijn credo belijdt: “Alles wat er toe doet in de kunst: overleven door te schrijven en te schilderen. Er is geen andere remedie dan de kunst. Leven, dood en zingeving, dat is al zo sedert ik aan de tequila ben. Er is hoop voor de ongelovigen en dronken vrijdenkers.” Interessant ook is dat Ruward het woord zingeving noemt, juist het punt waar hij, in dit boek althans, niet aan uitkomt. Gelukkig staat er ook een treffende, als motto gebruikte haiku van Basho: “Botten in het veld / de wind snijdt dwars door me heen / als ik daar aan denk.”
Verder is er een interview met een spin, een met strofen opgemaakt prozastukje en de slotvertelling die een schilderij beschrijft dat weer een ander verhaal oplevert. Ruward haalt een niet originele maar wel degelijk effectieve truc uit door beide verhalen samen te laten vallen in het einde, daar van schrijver in personage te veranderen ―een aardige parallellie met zijn Jozef K.― en af te ronden met de aankondiging van zijn eigen schilderij, namelijk van: “Bella Graziëlla en de surrealistische figuratie, de handdruk van haar Liefde.
Dit geslaagde einde brengt de lezer weer terug naar de allereerste bijdrage, waar de ik-figuur uitspreekt een vrouw te willen schilderen, en zelfs de ziel!

Ruward heeft onmiskenbaar talent maar is, nog steeds, een ruwe diamant. Het wordt hoog tijd dat die geslepen wordt en wel zonder aan eigenheid en flonkeringen in te boeten.


JAN RUWARD; ‘Monalisa Blues’; 54 pagina’s; Uitgeverij Free Musketeers, 2013; ISBN 9789048429707; € 13,95.

Deze recensie werd eerder gepubliceerd, in een kortere versie, in het tijdschrift Brabant Cultureel, jrg. 62, no. 4, december 2013 alsmede op onderstaande site:



www.alberthagenaars.nl

woensdag 25 december 2013

FRANS MELSEN - Postume debuutbundel



MIJMER VOORT, MIJMER DOOR

De postume debuutbundel van Frans Melsen

Nét na zijn vroegtijdige dood op 29 oktober 2013, maar nog vóór de uitvaart, verscheen van Frans Melsen (1959, Breda) de bundel ‘Mijmer voort, mijmer door’. Een goede vriend van de auteur bezorgde me het boekje met het niet af te wijzen verzoek om er een recensie aan te wijden.

De titel sprak me niet aan. Er moeten al honderden, nee duizenden dichtbundels in ons taalgebied verschenen zijn met mijmeringen als titel of als kernwoord in de titel. Maar Melsen was niet de eerste de beste amateur. Hij studeerde Nederlands in Utrecht en was ruim dertig jaar actief in het onderwijs, aanvankelijk in Bergen op Zoom, daarna in Oosterhout. Het is ook niet zijn eerste titel; hij publiceerde twee culturele boeken (over de bijzondere wijze waarop carnaval in Bergen op Zoom gestalte krijgt, inclusief een analyse van de daarbij horende liedjes), was een van de redacteuren van het eerste Bergse woordenboek ‘De Dikke van Berrege), schreef columns en musicalteksten en bracht ook nog een uitgave over de Oosterhoutse Nachtegalen op de markt, een jubileumboek over de zangschool met dezelfde naam die zich in meer dan vijftien talen toelegt op een repertoire dat zowel polyfonie, popsongs, musicals en commercials bestrijkt. Met deze opsomming bedoel ik niet dat mensen met dergelijke activiteiten geen amateur als dichter kunnen zijn. Je mag er echter wel van uitgaan dat iemand met zo’n brede culturele belangstelling donders goed weet dat je niet met poëzie aan moet komen onder de naam mijmeringen. Melsen moet dus een goede reden gehad hebben om daar toch voor te kiezen. Dit beseffende krijgt de titel een meerwaarde, hij zet je of je wilt of niet aan het denken en dat is prima natuurlijk.

Ik neem aan dat hij het woord een nieuwe lading heeft willen geven of, even effectief, de oorspronkelijke betekenis ervan heeft willen benadrukken, verscholen onder de dikke lagen clichés die er in de loop van de eeuwen op zijn vastgekoekt. Hij zal dan, zoals ik nu, ontdekt hebben dat dit ene woord lange wortels heeft. Afhankelijk van de context betekent het: bespiegeling, dromerij, malen, sentimentele droefgeestige peinzerij. Dit laatste woord komt natuurlijk via het Franse ‘penser’ in onze taal. Graaf je nog dieper dan stoot je op bijvoorbeeld op ‘mimeren’ dat in het Middelnederlands werd gebezigd, op ‘mimerje’ (Fries), en op ‘mamorian’ (oudengels) in de betekenis van ‘zinnen op’. Al deze variaties stammen via het Latijnse ‘memor’ (denken aan) en het Griekse ‘mermeros’ (datgene waar men aan blijft denken) af van nog oudere vormen in bijvoorbeeld Armeens en oud-Indisch die ook nog eens basisbegrippen als zorg en herinnering in zich dragen. Als taalspecialist -vergeet niet dat hij met passie symbolische teksten uiteenrafelde- zal Melsen zeker ook de lezer na hebben willen doen denken. En denken in alle soorten en maten zal hij zelf gedurende zijn ziekbed maar al te goed hebben gedaan, zo staande, liggende op de richel van het leven, wetende dat het einde nabij was. Tegelijk zal hij ook het fantasie-element hebben willen meenemen, het dromen, het zich overgeven aan een andere realiteit, al dan niet met de bedoeling om te vluchten voor de onverbiddelijke uitkomst.

De bundel bevat een voorwoord van Peter Bevers en Axel Kruse en dertig over het algemeen korte teksten. Achterin staat een biografische schets. Het is een bonte verzameling geworden van aforismen, herinneringen, verzen met soms een acrostichon of parallellie, grappen en zelfs een enkel experiment. Ook inhoudelijk is Melsen er in dit korte bestek in geslaagd veel afwisseling te brengen. De lach en de traan wisselen elkaar veelvuldig af zodat niet alleen verdriet en pijn aan bod komen, al gaat hij de definitieve confrontatie zeker niet uit de weg. Een humoristische bijdrage met een dubbele bodem: “jij lijkt wel veel op je vader, zei hij opgetogen / de welke bedoel je, vroeg ik opgewonden / nou, niet die van hierboven, maar die andere / gelukkig maar, dacht ik in mijn onvermogen.”

Een overwegend realistische tekst met eveneens aandacht voor herhaling en kleine verschuivingen is:


PLAFOND

Ik lig angstig op mijn rug
en staar naar het plafond
ik zie mijn leven terug
en tel elk vierkant
van voren naar achter
en volg elke rand
ik ben bang en wacht er
ik zit aan mijn plafond

ik lig angstig op het bed
en staar naar het plafond
ik volg alles nauwgezet
en tel de lijnen
van deur tot aan het raam
grote en kleine
ik voel me echt eenzaam
ik zit aan mijn plafond

ik lig hier thuis op mijn bed
en staar naar het plafond
ik heb daar nooit op gelet
grijze vlekken, zeg
van voren naar achter
grijs, goor, wat een pech
ik roep harder zachter
witten, witten dat plafond


Hoewel nogal wat teksten niets of niet veel met poëzie te maken hebben, wat duidelijk ook niet de bedoeling van de auteur was, zijn er toch genoeg momenten waar je literair bij stil kunt staan, die je zelfs zinvol kunt herlezen. Enkele voorbeelden? In bovenstaand gedicht speelt Melsen met de meervoudigheid van de uitdrukking aan je plafond zitten. Juist het spel doorbreekt dan de code van niets meer kunnen doen! Het is in al z’n eenvoud een schitterende manier om woorden sterker te laten zijn dan hun neerslag in de taal. Aan een plafond zitten is ook aan een plafond pulken, een ondoordringbaar lijkend vlak openen, doorstoten in een andere realiteit. Let ook op de regels 5 en 21. Er staat niet ‘van voor naar achter’ maar ‘van voren naar achter’. Ik dacht even een fout te vinden maar nee, Melsen stelt het woord voren op, meervoud van voor, de gegroefde lijn waar het zaad, het nieuwe leven in moet komen. Dat past wonderwel bij het onophoudelijk met de blik bestrijken van het plafond, symbool van het eind, van de dood in dit geval. Het is dan geen grote stap meer om te wensen dat de grijze vlekken, de gore plekken van het dagelijkse leven verdwijnen. Witten is puur maken, het grootste raadsel van de mens ontdoen van wat niet meer ter zake doet. Juist de naderende dood laat de mens beseffen waar hij nooit op heeft gelet maar wat er wel degelijk is.
Ook mooi is de overgang van de twee laatste regels. Je kunt desgewenst een cesuur horen na zachter, maar die ook leggen na roep. Je leest dan harder witten, zachter witten…wat eveneens een relevante interpretatie oplevert. Ze vallen niet op, zoals het goede rijmen betaamt, maar de klankovereenkomsten in lig-rug-terug-wacht-echt-achter-zachter mag er uiteraard ook wezen.

De schrijver betrekt ook de eigen achternaam in zijn taalspel. Melsen, ooit een leen van het land van Rode in de kasselrij van het land van Aalst, is momenteel een deelgemeente van Merelbeke en daarmee een uitloper van Gent. Al deze elementen staan als verwijzing in de tekst, waarvan de hoofdletters de naam Melsen vormen. Het slot luidt: “Nooit verwacht dat Melsen / de nederzetting heeft vermeden.” Een raadsel want er staat niet dat de dichter er nooit is geweest maar dat hij er niet wilde komen. Waarom wilde hij niet naar de veronderstelde plaats van afkomst van de familie van vaders kant, vraag je je af, terwijl je weet dat hij juist een fascinatie voor bronnen en oorsprong had. Omdat de regels achter in de bundel staan, zorgt deze kortsluiting voor een laatste zacht knetteren.

Frans Melsen is er niet meer. De beste bijdragen in dit boekje claimen echter aandacht voor zijn emoties, overwegingen, ideeën en ja mijmeringen die mede bepalen wie en wat hij is geweest: een leraar met een drang om kennis over te dragen, een doodzieke man met pijn, passie en angsten, een zoeker naar flonkeringen in de spelonken van de taal, een bescheiden literaire doorgever.


FRANS MELSEN; ‘Mijmer voort, mijmer door’; 40 pagina’s; Uitgegeven door Peter Bevers en Axel Kruse; oktober 2013; ISBN/EAN 978-90-9027919-0; Foto auteur: Rens Melsen



Deze recensie werd eerder gepubliceerd, in een iets kortere versie, in het tijdschrift Brabant Cultureel, jrg. 62, no. 4, december 2013, alsmede op onderstaande site:



www.alberthagenaars.nl

woensdag 16 oktober 2013

HANS TENTIJE - Wisselsporen



BEHOEFTE AAN EEN HEFBOOM

Albert Hagenaars over 'Wisselsporen' van Hans Tentije

Anekdotische dichters versus hermetische, romantische versus realistische, schrijvende versus schreeuwende, er zijn al heel wat onderscheiden tussen poëziebendes gemaakt. Ik wil er een aan toevoegen, nl. die tussen behagende dichters en ontregelende. Aan de eerste soort maak ik geen woorden vuil, dat lijstje kunt u naar behoren zelf invullen, tot de tweede soort behoren even zo notoire als uiteenlopende dwarsliggers als Ter Balkt, Pernath en Van Til.

Ook komen er dichters voor die van twee walletjes eten, de lezer met mooie woorden en beelden paaien om des te venijniger toe te kunnen slaan. In die groep zitten o.a. Nooteboom, Kopland en Tentije. Over de laatste wil ik het hebben, naar aanleiding van zijn laatste bundel 'Wisselsporen'. Het boekje is al van 1999 maar kreeg, vermoedelijk doordat het niet tot nauwelijks ontwikkeling in stijl en thematiek toont, zo weinig aandacht dat enige compensatie op z’n plaats is.

Om zeker te zijn, ben ik m’n zolder opgegaan waar, naast jaargangen van heel wat andere tijdschriften, alle afleveringen van Poëziekrant opgeslagen liggen en ja hoor, mijn eerste kennismaking met het werk van Hans Tentije dateert van november-december 1979. In jaargang 3 nummer 6 van deze voorloper van DHG staat een lang en bij vlagen opwindend vraaggesprek van Remco Ekkers met de dichter, die toen juist met z’n tweede bundel 'Wat ze zei' volkomen terecht de Van der Hoogt-prijs en de Gorterprijs had gewonnen. Tussen zijn vragen vlocht Ekkers gedichten uit de bundel. Het zijn deze fragmenten die destijds zo’n indruk op me maakten dat ik nu nog weet waar en wanneer ik ze las. Sindsdien volg ik Tentije, sindsdien koop ik elke titel van hem, maar sindsdien zijn mijn ideeën over de criteria voor goede poëzie ook danig veranderd. Toch bleek mijn mening over 'Wat ze zei' bij de zoveelste herlezing niet aangetast. Prachtige poëzie: suggestief en toch indringend, op de beste momenten zelfs magisch, en inhoudelijk gezien, ondersteund door het oproepen van twijfel en onzekerheid, bovenal exemplarisch voor het menselijke vermogen tot geluk, en ongeluk.

Wisselsporen zijn overgangen naar een andere werkelijkheid maar eerder naar een bedoelde bestemming dan naar de avonturen achter een onbekende horizon. Het is tegelijk de beste titel die Tentije ooit bedacht. Het apart staande openingsgedicht 'Spiegelingen' had eerder 'Bespiegelingen' kunnen heten. Het is een lange, geforceerde en toch nog futloze tekst die de kunstjes verraadt die Tentijes betere werk, met haar onnavolgbaar treffende beeldspraak, juist in kwaliteit opschroeven. 'Spiegelingen' is een technisch karkas:


deze gerekte
stapvoetse paar tellen, en schamel bootje
zolang, dat voor zijn anker
rijdt

boot en brug
en hun tegenovergestelde
haast eendere vormen, die, los van elkaar, naar iets gavers
dorsten dan wat water
ze te bieden heeft
.


Dit fragment zet natuurlijk wel aan tot overpeinzingen maar de opstapeling van beelden, en ook het onnodig zware ritme zijn hier Tentijes drang tot precisering tot last. Resultaat: 3½ pagina vrijblijvendheid! Bijna dan toch want niet onvermeld mag blijven dat in dit vers de fascinerende foto van de omslag beschreven wordt: de bovenkant van een boogbrug die nog net boven de waterspiegel van een stuwmeer uitsteekt. In die afbeelding van de hand van Peter Bes wordt het dualistische wezen van Tentijes poëtica geïllustreerd, de dagelijkse realiteit, die slechts fungeert als uitkijkpost op heftige of beladen belevenissen, liefst in dezelfde omgeving, en daarmee van vertrouwd overgaat in ja, ontregelend. Opvallend vaak zijn de waarnemingen echter eerst gefilterd door schilders, fotografen en filmers.







De eerste afdeling, 'Hartslag en voetstap' geheten, bevat bijvoorbeeld gedichten bij beeldend werk van Co Westerik (2 maal), Peter Bes (4 maal) en muziek van Charlie Parker. En meteen bij het eerste vers, bij een aquarel van Westerik, is het raak!


Mezelf kan ik alleen
vermomd als iemand anders zijn -
maar meer nog, misschien, wanneer er anderen kwamen
die zich ook vermommen wilden
en mij het masker namen, liefst
met vel en al
.


Hij bestaat nog, de dichter van 'Wat ze zei'! Hier geen storend effectbejag, maar beheersing van het instrumentarium. Ook de andere teksten zijn van een behoorlijk niveau, wat onder meer tot gevolg heeft dat je de aanleiding gevende afbeeldingen graag zou willen zien. Toch staan de gedichten volledig op zichzelf! Overal zijn verrassingen zoals:


de windvlagen die het oppervlak toen ruwden
trekken dezelfde rimpelingen
door de nu bestrate haven – het licht
spreidt er al zijn schubben over de kasseien uit



of het volgende fragment, eveneens uit het vers 'In Antwerpen':


wanneer ik oversteek zie ik pas
de steen die boven is komen drijven, die iemand
misschien ooit opbreken zal -



Ronkend van genoegen lees je je naar de volgende reeks, 'Om de dingen', gemaakt bij schilderijen van Rob Verkerk. Maar nee, hier wisselt Tentije het verticale weer af met het horizontale. Hier geen tuimelluiken en springplanken meer naar een ander bewustzijnsniveau maar opsommingen die nauwelijks iets meer worden dan dit en dan nog met tastende in plaats van doel treffende beelden:


Iedere keer weer dat gevoel
een vreemde te zijn als ik thuiskom, ’s nachts
en het trappenhuis binnenga -
de minutenschakelaar laat de minuten
razendsnel opbranden en mijn treden
zwermen in duisternis uit
.


Jammer, jammer, jammer, vooral die slotregel, die door elke beginner gepleegd kan worden! De dichter had die zeven korte teksten beter in zijn pc kunnen houden of desnoods bibliofiel, voor de intimi, uit laten geven.

Gelukkig herneemt Tentije zich in de volgende twee afdelingen, respectievelijk 'Te midden van zoveel verstroooiing' en 'Arcades des lisses' geheten, met 7 en 5 gedichten en een overheersende thematiek van liefde en dood . Ook hier weer genoeg beeldgroepen die van geen ander kunnen zijn:


langs rietstengels, langs bijna niets
en over fijnvertakte barsten
in de ijsvloer, over de als met ijzervijlsel
besneeuwde velden, op de donkerende bosrand
toelopend om al het rood
te willen stelpen
.


Het ‘willen’ in deze om-constructie is dan weer overbodig maar ach... Wat telt is dat hier een aantal belangrijke gedichten tot stand komt.
Mooi is in het volgende fragment te zien hoe verfijnd en accuraat Tentije tijden door elkaar vlecht en ik bedoel zowel de beleefde momenten als de grammaticale tijden en modaliteiten:


Zag ik de stenen engelen de lamp die zij heffen
maar boven hun nacht uittillen

dan zou ik de zomen van je rokken
weer langs mij voelen ruisen, gedempter klonk het grint
onder je zolen, dan brak het wolkendek
en was er zon

rond de paviljoenen stonden de seringen
vandaag al in bloei
.


Het woord rokken heeft desgewenst met een persoonlijk verleden te doen maar roept zeker een oudere laag in de tijd op. De titel 'Maria ter Sneeuw' verwijst naar een godshuis in Praag. Zo, tijd en ruimte uitbreidend, is Tentije wie hij moet zijn! De uitglijders die hij hier nog maakt betreft momenten dat hij het net iets te mooi wil doen, getuige: het moederzielallene en wreed geweckte pijnen. Twee ay-ay-momenten zo dicht bij elkaar...

Conclusie en vooruitblik: 'Wisselsporen' is met slechts 19 gedichten een dun bundeltje. Trek daar nog de mindere 7 van af van 'Om de dingen' en je houdt er 12 redelijke tot goede over. Daarmee is 'Wisselsporen' in elk geval kwantitatief een overwegend zwakke schakel in Tentijes toch al niet ruime oeuvre. Als dichter overleeft hij wel, als een door de bladen en andere media opgemerkte dichter misschien niet. Tenzij, en dit spreek ik liever als fan uit dan als recensent, hij ook zijn volgende bundels niet alleen in ruimte maar ook in stijl uitbreidt! Tenzij Tentije dus daadwerkelijk de hefboom van de wissel weet om te gooien!


Geschreven in opdracht van De Houten Gong en gepubliceerd in het decembernummer van 2000

Foto: Marion Krämer


www.alberthagenaars.nl

donderdag 15 augustus 2013

INGRID JONKER - Ik herhaal je



‘MET MIJN EIGEN DOOD OP MIJN TONG’

Albert Hagenaars over de poëzie van Ingrid Jonker

Hoeveel meerwaarde kan de achtergrond van een dichter aan diens werk geven? Hoe verhouden zich poëzie en actualiteit, privé-leven en politiek? Dit soort vragen dient zich al gauw aan bij het lezen van ‘Ik herhaal je’, de selectie uit het werk van de Zuid-Afrikaanse Ingrid Jonker (1933 - 1965). Gerrit Komrij tekende voor de samenstelling en vertaling, Henk van Woerden voor een nawoord.

Dit boek biedt een waar leesavontuur, niet alleen omdat de gedichten in het Afrikaans (links) en Nederlands (rechts) naast elkaar staan en het vergelijkingsmateriaal van beide, nauw verwante talen zich ophoopt, maar ook omdat de dichteres persoonlijke dramatiek vervlecht met de Apartheid en de bewogen nasleep, die ook aan onze huiskamerbeleving gebonden zijn. Toch heeft ze ook in haar vroegste en persoonlijkste regels genoeg te zeggen:


PUBERTEIT

Die kind in my het stil gesterf
verwaarloos, blind en onbederf

in ’n klein poel stadig weggesink
en iewers in die duisternis verdrink

toe jy onwetend soos ’n dier
nog laggend jou fiesta vier.

Jy het niet met die ru gebaar
die dood voorspel of die gevaar

maar in my slaap sien ek klein hande
en snags die wit vuur van jou tande:

Wonder ek sidderend oor en oor
Het jy die kind in my vermoor...?



In Komrijs omzetting wordt dat:


PUBERTEIT

Het kind in mij is stil gestorven
verwaarloosd, blind en onbedorven

in een kleine poel traag weggezonken
en ergens in duisternis verzonken

toen jij onwetend als een beest
Je hebt niet met dat grof gebaar
de dood voorspeld of het gevaar

maar als ik slaap zie ik kleine handen
en 's nachts het wit vuur van je tanden:

Ik ril en één vraag brandt aldoor
Heb jij het kind in mij vermoord...?


Waar ze ook over schrijft, de demonen, de donkere kanten zijn nooit ver. Aan de nieuwsgierigheid die haar beklemmende beelden oproepen, wordt deels tegemoet gekomen door Van Woerden, die in zijn nawoord (een eufemistische omschrijving voor die maar liefst 86 pagina’s)inclusief epiloog en noten een biografische schets geeft, de eerste in het Nederlands!
Ingrid Jonker blijkt een net zo spannende als labiele persoonlijkheid te hebben gehad. Ze creëerde werk waarvan veel waarschijnlijk nog lang overeind zal blijven maar betaalde de hoogste prijs. Er zijn opvallend veel overeenkomsten met het leven van haar tijdgenote Sylvia Plath (1932-1963), die eveneens de dochter van een geletterde vader was, vroeg een ouder verloor, met een kunstenaar trouwde, een beurs/prijs ontving, psychiatrisch verpleegd werd, een scheiding doormaakte, een dagboek bijhield, soortgelijke thema’s bespeelde, een relatie met een belangrijke schrijver had (Jonker met André Brink, Plath met Ted Hughes) en een einde aan haar eigen leven maakte.
Een groot verschil is dat Jonker onverwacht beroemd werd met een gedicht; een vers over een door het leger vermoord zwart kind dat in korte tijd tot een symbool van het nieuwe Zuid-Afrika uitgroeide en ook daarom door Mandela in 1994 tijdens de opening van het parlement voorgelezen kon worden:


die kind wat net wou speel in die son by Nyanga is orals
die kind wat ’n man geword het trek deur die ganse Afrika
die kind wat ’n reus geword het reis deur die hele wêreld

Sonder ’n pas
.


Hij las zijn citaat evenwel in de Engelse vertaling voor!





Van Woerden verdient alle lof voor zijn relaas, dat niet zonder tegenwerking van familie van de dichteres tot stand kwam. In een passende stijl maar met voldoende afstand tot zijn object weet hij de lezer te overtuigen van het belang van Jonkers kleine oeuvre, en ontvouwt hij de achtergronden waartegen dat tot stand kwam, waarbij hij ook, zij het kort, feiten en feitjes opdist over eerder bij ons bekend geworden Zuid-Afrikaanse auteurs als o.a. N.P. van Wyk Louw, Breyten Breytenbach en André Brink. Zijn stuk leest als een korte roman!
De uitgever bewees dat de werkwijze waarmee een nagenoeg onbekend talent in de Nederlandse literatuur wordt gelanceerd uitermate belangrijk is. De ingrediënten in dit geval zijn: een selectie van het beste materiaal, een dicht bij het origineel blijvende maar toch voldoende vrijheid nemende omzetting in het Nederlands van een ervaren vertaler die bovendien dichter is, en de aanzet tot een biografie van een prozaïst in opkomst, die zelf in het betreffende land woonde en mede daardoor voor een goede inbedding kon zorgen. Dit alles vormt een krachtige combinatie, een resultaat waar een breed publiek zich mee mag laten verrassen, 35 jaar nadat Ingrid Jonker aanspoelde op het strand van Drieankerbaai...


Meester, by die voorhangsel van die daerad,
met my eie dood op my tong gee ek jou terug
aan die lewe
.


INGRID JONKER: ‘Ik herhaal je’ Een selectie uit haar gedichten, vertaald door Gerrit Komrij en ingeleid door Henk van Woerden. Uitgever: Podium.



Albert Hagenaars, 17 april 2000. Gepubliceerd in de Haagsche Courant.


www.alberthagenaars.nl

zaterdag 8 juni 2013

BERT BEVERS - Lambertus van Sint-Omaars beschrijft de wereld





EEN BLOEMRIJKE STAMBOOM

Door Albert Hagenaars

Om met een bekentenis te beginnen: ik heb een hekel aan lange titels voor poëziebundels, al was het maar omdat ze in flagrant contrast staan met de verdichtingprincipes van het genre.
Toen ik ‘Lambertus van Sint-Omaars beschrijft de wereld’ op m’n werktafel vond, stak meteen een vooroordeel de kop op. Ik moest echter toegeven dat de titel me nieuwsgierig maakte. Al bladerend kwam ik bij de Aantekeningen terecht, waar ik kennis kon maken met de achtergronden van een monnik Lambertus van Sint-Omaars, en ik was verkocht! De dichter, Bert Bevers, legt uit dat deze kloosterling, die eind 11e eeuw, begin 12e eeuw actief was, de samensteller is van de synopsis Liber Floridus ofwel Het Bloemrijke Boek, en deze publicatie zou de oudst bekende encyclopedie ter wereld zijn. Deze namen klonken te mooi om waar te kunnen zijn. Bovendien las ik ooit ergens dat de doopnaam van de dichter Lambertus is. Het alarmlichtje met de opdruk ‘mystificatie’ begon te flikkeren. Ik onderbrak m’n lectuur om met een zware zoekmachine deze en andere door Bevers opgediste historische feiten en feitjes op echtheidsgehalte te controleren. Tot m’n verbazing leek alles te kloppen. Er blijkt een Lambert van Sint-Omaars te zijn geweest, een Benedictijn, geboren omstreeks 1061, die in zijn tijd al bekendheid genoot als abt en kroniekenschrijver. Als kind opgeleid op diverse Franse scholen op het gebied van onder meer grammatica, theologie en muziek, gaf hij z’n kennis door in het Sint-Bertijnsklooster, waar hij in 1095 de bedrijfsleider werd. Zijn hoofdwerk, geschreven in het Latijn en afgerond in 1120, was het Liber Floridus, een bont geheel van o.a. bijbelse, astronomische, geografische en filosofische onderwerpen. Het werd in het Frans vertaald onder de uitbundige titel ‘Le livre fleurissant en fleur’. De autograaf, het oorspronkelijke handschrift van Lambertus, wordt onder de naam Manuscript 92 bewaard in de universiteitsbibliotheek van Gent, de stad waar Bevers werkzaam is voor het Poëziecentrum. Zou hij in die stad de materie op het spoor zijn gekomen?
Hij verwijst naar twee kopieën, maar er zijn op z’n minst 12 kopieën bekend, alle ontstaan in Noord-Frankrijk en Vlaanderen, in een periode tot ongeveer 1500. Ik las alle aantekeningen voordat ik het eerste gedicht tot me nam. Hoe goed koppelt dat de tijd van de abt aan de onze:

I

Je laat me binnen. Je verbaast je over mijn bril,
mijn pen, mijn rare kleine opbelmachine. Wat
opbellen is? Dat je in Sint-Omaars kunt spreken
met iemand uit Saint-Omer als er huizen tussen
staan, er velden tussen liggen. Je reactie doet me

denken. Tijd genoeg. En dat je nog niet weet
dat de aarde rond is, joh. Dat je dat nog niet weet.


Dit is duidelijk een hedendaagse benadering van een middeleeuwse kerkgeleerde. Voor het profane en informele karakter dienen vooral de aanspreking met ‘je’ en het woordje ‘joh’, die bovendien een vertrouwdheid uitdrukken. Maar waarom doet Bevers het voorkomen alsof er twee verschillende steden zijn, een Sint-Omaars en een Saint-Omer? Daarmee wordt natuurlijk dezelfde plaats in Artesië bedoeld maar het zou veel logischer zijn te zeggen: ‘dat je in Sint-Omaars kunt spreken / met iemand uit… Atrecht (Arras), of Kales (Calais), of voor mijn part nog Sint-Winoksbergen (Bergues). Bedoelt hij eventueel dat de taalgrens dwars door het stadje liep? Nee, dat blijkt na het raadplegen van een andere digitale bron niet het geval te zijn geweest. Wel trok de taalgrens later omhoog tot aan de lijn die we momenteel erkennen. Ook de aanname dat de telefoon tijdsverschillen kan overbruggen, is niet logisch gezien de geografische nadruk die hij legt.
Dat de openingstekst inderdaad eerder een kennismaking is dan een gedicht toont nummer 2, eveneens gestoken in twee strofen van respectievelijk vijf en twee regels. Dat geldt overigens voor alle gedichten in het boekje, dertig stuks.

II

Zijn hand schreef. Ik tik met de mijne door zijn ogen.
Ik ruik zijn inkt en mijn scotch. Kastanjelaren
staren bloeiend over eeuwen heen. Zeg me welke
doden je kelderfris nog kent. Tors het kruis mee,
als Jozef van Arimatea nu meer dan duizend jaar

geleden. Waarom ik ongekend Vlaams spreek, Latijn
en Angelsaksisch ken. Wat lingua franca zeggen wil.


Waar in het eerste gedicht nog geen klankovereenkomst en beeldspraak zit, trekt Bevers deze en andere poëtische elementen in het tweede de bundel binnen. In plaats van kastanjebomen gebruikt hij kastanjelaren, dat met z'n archaïsche variant beter bij de Middeleeuwen past en met z'n zuidelijke afkomst beter bij het werkgebied van Lambertus. Hij zet met 'kelderfris' een neologisme in waar je al gauw een tegenstelling in kan herkennen, voert een personage op dat in de christelijke mythologie gezien wordt als de vervoerder van de Heilige Graal naar het Engelse Glastonbury en gebruikt een verrassend enjambement, dat de opgeroepen bestendigheid meteen ontkent. In de twee slotregels tenslotte is sprake van een ongekend Vlaams, wat voor meervoudige uitleg bevattelijk is, van twee talen en van de omschrijving lingua franca, waarmee niet alleen het Latijn bedoeld moet worden, de taal van het 'Liber Floridus' maar ook de lingua franca van onze eigen tijd, het zich nog steeds vertakkende Engels.

Deze dichtheid van uiteenlopende poëtische ingrepen, we spreken tenslotte over telkens maar zeven regels, zal Bevers in het verloop van de bundel nauwelijks uit het oog verliezen. Het is zijn gave om het geheel van technieken in te pakken, zodat ze niet de aandacht van het relaas wegtrekken maar des te beter onderhuids hun werking kunnen uitoefenen. In dat opzicht is 'Lambertus van Sint-Omaars beschrijft de wereld' zijn meest uitgewogen uitgave geworden.
De lezer die verwacht dat Bevers dicht bij zijn naamgenoot blijft, komt niet bedrogen uit. Het vertelperspectief blijft echter verspringen. Nu eens is het ik-personage dat van de dichter, dan weer wordt de eerste persoon enkelvoud de abt, waardoor de 'hij' verder opschuift van Lambertus naar god, getuige gedicht IV:

IV

Vrees en beving kwamen over mij en duisternis
bedekte mij. En ik zei: 'Wie zal mij veren geven
als duiven, zodat ik weg zal vliegen en een rustplaats
zal vinden?' De Wachtendonckse Psalmen zullen
onze taal bewaren, het langst nog wel. Wacht maar.

's Avonds en 's morgens en 's middags zal ik vertellen
en verkondigen, en Hij zal horen. Want overal is Hij:


Bevers onthult de bron van het citaat: de 'Wachtendonckse psalmen'. Deze tekst werd rond 950 gemaakt door een waarschijnlijk voor altijd onbekend blijvende monnik in het noorden van het huidige Nederlandse Limburg voor de zusters van Munsterbilzen. Onder elk woord in het Latijn staat zijn vertaling in het Oudnederlands, wat het volgende resultaat oplevert:

Forchta in biuonga quamon ouer mi in bethecoda mi thuisternussi / In ic quad uuie sal geuan mi tetheron also duuon in ic fliugon sal in raston sal.

Een taalgevoelige lezer kan daar veel uit opmaken maar Bevers is niet te beroerd een vertaling over te nemen.

Vrees en beving kwamen over mij en duisternis bedekte mij / En ik zei: Wie zal mij veren geven als duiven, zodat ik weg zal vliegen en een rustplaats zal vinden.

De twee bladzijden met aantekeningen spelen een onevenredig grote rol in de bundel, gelukkig ook maar. Ze voegen veel toe: een historische verantwoording (die de verbeeldingskracht waarmee de dichter de middelste van de Middeleeuwen gestalte geeft extra overtuigingskracht geeft) plus een richtingbord om de betreffende periode zelf te gaan onderzoeken. Bovendien legt Bevers een link naar eerder verschenen gedichten van zijn hand. Zo legt hij uit dat weliswaar zowel de Oudhoogduitse als de Oudnederlandse bewerking is verdwenen maar het manuscript in de 16e eeuw nog in handen was van de Luikse kanunnik Arnold Wachtendonck, waar het zijn wetenschappelijke naam aan dankt. Diens vriend Justus Lipsius, een Brabantse humanist, zag de psalmen bij Wachtendonck en liet ze overschrijven. Inmiddels bestaat ook deze kopie niet meer. Bevers wijdde naar aanleiding van een bezoek aan Lipsius' bewaard gebleven Antwerpse vertrekken, in de bundel 'Onaangepaste tijden' uit 2006, een vers aan de wetenschapper getiteld 'De kamer van Justus Lipsius'. Het bevat de volgende prachtige slotstrofen:

Lessenaar smachtend naar beschrijving.
De vloer telt wel achttienhonderd tegeltjes,
eronder geduldige grond. Over deze stille wereld

van bestorven dingen nu opent de avond zich traag,
als een mossel. Ergens klinkt een cantus firmus.
Buiten is regen koel en op weg naar het oosten.


Opname van al die weetjes garandeert dus tegelijkertijd 1) een thematische onderbouwing, namelijk die van het materialiseren van het tijdsverloop (er is geen bundel van hem waarin dit niet aan bod komt), 2) een opstelling tegen de eigen tijd (die een fascinerende cultuur oplevert maar veel te weinig aandacht biedt voor wat Bevers als voorwaarden voor poëzie beschouwt, zijnde stilte, concentratie, geestelijke verdieping en daarmee een zucht naar kennis, feiten, zie de 'smachtende lessenaar'), en tenslotte 3) een bindmiddel voor wat met tientallen poëziepublicaties een heus oeuvre mag heten. Dit laatste wordt vooral met terugwerkende kracht uitgevoerd want lange tijd produceerde Bevers opvallend dunne uitgaafjes met gedichten die, de kwaliteit van elk afzonderlijk buiten beschouwing gelaten, als los zand aan elkaar hangen.




Terug naar onze monnik en z'n encyclopedie, motieven voor een reservoir aan kennis (Bevers publiceerde niet toevallig een viertalige bundel met de titel 'Reservoir'). Of beter gezegd, terug naar de bundel waar het hier om gaat, want met ingang van gedicht V is Lambertus verdwenen! Gedicht IV eindigt niet voor niets op een dubbele punt achter de met 'Hij' aangeduide heiligheid. Lambertus is gedurende 10 gedichten opgelost in strofen over wat hij als de pracht van gods werken moet hebben beschouwd. Ik kies uit elk gedicht een beeld:

V De geur van paarden in wouden
VI Pelgrims naderen met verdofte tred door nabije valleien
VII Uit de schoorsteen van een oude hoeve kringelt rook
VIII Het regent over dochters en zonen genoeg
IX Naar loofstille dalen verwezen wijgebeden vol wierook
X In verre, verre steden zijn fresco's reeds in verval
XI Voorop een grote trom met een vel als pannenkoek
XII Brood wordt geroken, bier glanst. Wind is zacht
XIII De warme wrede geur van brood en bakkend spek
XIV Tegen de aarde gedrukt als een natte pelgrimsmuts dorpen in mantels van naaldhout


Met dit soort beelden drukt Bevers de lezer op de werkelijkheid van het dagelijkse leven van de Middeleeuwse mens en maakt hij van de gelegenheid gebruik die dusdanig te verwoorden, met een onophoudelijk beroep op de zintuigen, dat ze een tegenwicht vormen voor de vergeestelijkte wereld van dogma’s en andere scholastieke fratsen. Over scholastiek gesproken, dat was een filosofie met een sterk metafysische inslag. De leer beriep zich op denkpatronen op een stramien van tegenstellingen, een vorm van dialectiek die Bevers zelf in deze bundel ook hanteert, al wordt zij aan het oog onttrokken door zijn verspringende beelden en over de regels doorlopende zinnen.
Zijn overtuiging is evenwel tegengesteld aan de werkwijze: hoe belangrijk het denken ook is, het moet immer gestoeld zijn op de basis van de waarneming. Er mag geen afscheiding ontstaan tussen realiteit en verbeelding, geen schot tussen toen en nu, of tussen dichter en samenleving! In Bevers' eigen woorden, precies op het punt waar Lambertus in de slotregels van XIV weer opduikt (let op het enjambement dat de waarneming koppelt aan de kennis, en op de laatste drie woorden):

Het geringe geluid van licht verbaast hem. Hij weet

dat uit riet immer eerst de vrouwtjeseend opvliegt
en dat daarna pas de woerd volgt. Het is schrijftijd.


Een ander voorbeeld van het door elkaar lopen, van het door elkaar móeten lopen van beide elementen, zien we in het volgende gedicht. Lambertus, man van god, is ook maar een man des volks:


XV

Hij kruimt wat kaas voor zijn vriend de rosse kater
die al spint voor hij aan strelen begint. Aah, bier
is lekker water vindt hij telkens weer. Hard gewerkt
heeft hij heden, zowat een hele eeuw weer ligt nu
voor immer vastgelegd. Hij krabt zijn ballen, geeuwt

en doet de ogen toe. Er mag een dut. Vanavond meer
misschien bij kaarslicht, maar nu eventjes geen fut.


Wat zou het toepasselijk geweest zijn als Bevers nu Lambertus' dromen had geëxploiteerd, diens visioenen had gekoppeld aan z'n tijd, maar alleen in XVI volgt daarvan een halfslachtige poging:


XVI

Hij zag wandtapijten van dubbele manslengte,
hoorde ruiterliederen die huppelen als een horde
dravers in het morgenlicht. Heeft weet van rijkdom
bij weinigen, maar is daarom niet op hen vergrimd.
Hij heeft onderdak, een pelsharen buis en een

zoetrokige naam. In een ander gewest gaat de as
van verbrande hofsteden als mest over het land.


Hierna volgen enkele vooral beschrijvende gedichten tot, en dat is een raadsel waar Bevers de lezer mee confronteert, in XXIII ineens de uitspraak volgt dat Lambertus klaar is met zijn 'Liber Floridus'. Waarom daar? Waarom niet aan het einde van de bundel, wat verwacht mag worden?
Het kan zijn dat Bevers het verwachtingspatroon van de lezer wilde doorbreken maar wat levert dat op? Hij heeft de kans zijn personage nog wat te laten mijmeren over de leegte der dagen, maar zeven resterende gedichten zijn daarvoor te lang. Als het al geen compositiefout is, moet het op z’n minst een gemiste kans genoemd worden. Niettemin is XXIII belangrijk genoeg om te citeren:

XXIII

Lambertus voltooit zijn Liber Floridus met trots,
en zachte spijt vanwege klaar. Het is het jaar des Heren
1120. Paus Calixtus II trekt in triomf door Lombardije
en Toscane richting Rome. Hij ziet van verre de lemmers
blinken, hoort ook van balladen de refreinen klinken.

Ach, wat ligt zijn werk hier kloek. Wat een edele
en schone verzameling - en zo deugdzaam bovendien.


Met het woord ‘deugdzaam’, strategisch achter een gedachtestreepje geplaatst, verwijst Bevers naar de overgang van geestelijke naar didactische literatuur, historisch pas een eeuw later opkomend met mensen als Jacob van Maerlant, Gielijs van Mollem en een zekere Heinrec (ook wel Hein van Aken genoemd), die op zich weer een opmaat naar het humanisme vormt. Je kunt je afvragen of hij Lambertus een voorloper van deze beweging heeft willen maken. Het afronden van zijn hoofdwerk kan voor Lambertus een doorbraak hebben betekend. Steun voor deze gedachte mag gevonden worden in fragmenten in XXIV en XXVII, die ik voor een optimaal begrip beide zal citeren:

XXIV

Ellen en ellen van maagdelijke wand, stoutmoedige
ruimte. “Hoort ge mij Lambertus? Hoort ge mij?”
Klinkt deze boodschap echt, of is ’t vermomd gefluister
in de tijd waar niemand echt naar luistert? Gaande
regeneratie. Wees ons alstublieft als wapens zo nabij.

Een zwaarte van onafwendbaarheden naakt. Zijn ogen
Zoeken Hem maar zij blijven leeg van Zijn beeld.


Wat treffend manoeuvreert Bevers hier met beide personages, en gebruikt hij daarvoor alle grammaticale personen enkelvoud. Eerst lijkt god echt te spreken maar al in de derde regel slaat de twijfel toe, die vervolgens vertaald wordt in een omschrijving waar de meest doorgewinterde poëzielezer z’n tanden op kapot kan bijten. De beperkende bijzin achter ‘tijd’ wijst logisch gezien allereerst naar vermomd gefluister. In dat geval zijn er dus meerdere uitingen van vermomd gefluister. De toevoeging ‘waar niemand echt naar luistert’ kan echter ook verbonden worden met het woord ‘tijd’. Deze keuze doet ook opgeld, als je tenminste net als de dichter de nadruk op het aanbreken van een nieuwe tijdsgeest in het boek wilt zien. Belangrijk ook is het vertelperspectief in deze kwestie; wie is in dit vers namelijk aan het woord?
Is dat Lambertus die in het klooster van maagdelijke wanden (een ‘stoutmoedige ruimte’ en ook dáárom een perfecte plaats om te mediteren) zichzelf zoekt en door twijfel bevangen wordt? Dan zou je moeten lezen “Hoort ge míj, Lambértus?” in plaats van “Hóórt ge mij Lambertus?”
Is dat de dichter die de lezer aanstoot en mee wil laten denken, waarvoor het ontbreken van een hoofdletter in het woordje ‘mij’ pleit, alsmede de overeenkomende doopnaam?
Of is dat de godheid die zich afvraagt of zijn boodschap nog wel overkomt. De aanhalingstekens die het citaat in regel 2 afsluiten én het ontbreken van een hoofdletter in ‘mij’ lijken deze laatste optie uit te sluiten en dat is jammer want een bezorgde, om niet te zeggen klagerige god, eentje die weet wat het is om door zijn volgelingen teleurgesteld te worden, is een interessant literair personage, getuige diverse fragmenten in het Oude Testament.
Ook kun je het ontbreken van de hoofdletter in ‘mij’ nog zien als een eerste stapje van de onaantastbaar heilige troon richting mensheid, of de projectie daarvan door voorloper Lambertus.

Is het vreemd dat Bevers een vraag, een oproep eventueel, omschrijft als een boodschap? Wél als je een mededeling verwacht, niét als elke vorm van communicatie als boodschap geldt. Als hij erop uit is het Zijn als bestaansvorm te onderzoeken, is het wellicht niet toevallig dat ‘Zijn’ in de slotstrofe tweemaal genoemd wordt. Dan verandert wel de betekenis mee, namelijk naar de ogen en het beeld van het Zijn. Hoe ver gezocht ook, het past, zeker in de thematiek van Bevers, die aan kijken en beschouwen en verspringingen tussen subject en object een hoge waarde toekent. Daar zit waarschijnlijk invloed van Rilke, die hij in ander werk citeerde. Een geslaagd voorbeeld van een dergelijke verspringing is uiteraard: ‘Zijn ogen / zoeken Hem maar zij blijven leeg van Zijn beeld’ waar Lambertus en god, afhankelijk van de keuze uit bovengenoemde mogelijkheden, in de derde persoon samenvallen.

Het tweede voorbeeld van een verandering in het denken en geloven biedt zoals gezegd XXVII:

XXVII

Bliksem licht haar gezicht op als werd daarvan
een voile weggetrokken. Knetterende haard,
vacuüm verlangen. Buiten zitten op duistere takken
uilen. Sporen zijn verwijderd. Vuur woedt milder,
denken feller. Hij telt de dichtgeknelde knuisten

van het ongeduld. Hoe lang het al niet regent.
Ze zeggen dat we allemaal mensen zijn.


Dit is een van de meest hermetische gedichten in de bundel. Het begint al met ‘haar’. Naar wie verwijst dat? In eerste instantie ben je geneigd, als Roomsche jongen tenminste, aan Maria te denken. Het netwerk van woorden en symbolen als ‘bliksem’, ‘knetterend’, haard’, verlangen’, ‘vuur’, ‘feller’ en ‘dichtgeknelde knuisten’ laten ook een romantische, op z’n minst een erotische, connotatie toe, waarbij de uilen (niet alleen roofvogels maar tevens wétende dieren) als stille getuigen figureren. Ook ‘vacuüm’ past daar goed bij, met aansluiting op ‘buiten alles staand’ alsmede ‘sporen zijn verwijderd’ dat doorloopt in ‘verboden zijn’.
Nu was het zeer gebruikelijk dat monniken en soortgelijk volk zich de vleselijke lusten niet ontzegden maar er zullen ook beroepsreligieuzen geweest zijn die de voorschriften wel degelijk volgden. Mocht Lambertus tot die groep behoord hebben, dan duidt een intiem en vurig samenzijn met een dame natuurlijk op een stap richting geloofsverlies, althans volgens de toen geldende normen. Dat, gevoegd bij de slotregel, die een vooruitwijzing naar het humanisme mag heten (dat pas in de 14e eeuw herkenbaar werd) én de signalen in XXIV maakt het geoorloofd te veronderstellen dat Bevers nog een aantal gedichten nodig had om het verval van het onwrikbare geloof in beeld te brengen dat in XXIII nog zo glorieus in het juist gereedgekomen Liber Floridus glansde.
Je kunt het ook omdraaien. Weliswaar deed Augustinus (354-430), die als weinig anderen invloed heeft gehad op het verkeer tussen geestelijken en dames, gebiedende en verbiedende uitspraken over dat soort betrekkingen, (ook mooie trouwens getuige: ‘Niet in brasserij en laveloosheid, niet in spondes en oneerbaarheden, niet in twist en afgunst, doch hult uw wezen in de Here Jezus Christus en vertroetelt niet het vlees in verlokkingen.’ Augustinus was ook nog dichter) maar pas later dan tijdens het leven van Lambertus, ruim honderd jaar zelfs, werd de zogenaamde Regel van Augustinus verplicht gesteld voor kloosterorden. Dit houdt een zekere tolerantie in het verkeer tussen vroeger opererende kloosterlingen en vrouwen in. In dat geval deed Lambertus niet direct iets onoorbaars. Volgen we Bevers’ vingerwijzingen echter, dan heeft de eerste keuze meer geldigheid.
Het voorlaatste gedicht is eveneens een wending naar het wereldse, ditmaal naar een wereld van geweld en agressie:

XXIX

Titaanzwart geweld slaat in gindse gewesten
vrede aan gruzelementen. Verspreide slagordes
in flou licht. Hier weten wij gelukkig al lang
dat op de zomers van generaals de winters
van soldaten volgen, hoe we dingen begrijpen

die we niet gezegd kunnen krijgen. Vergeet
de echo’s niet en maak van galgen hutten.


Deze tekst, die gemakkelijk buiten het bestek van de bundel kan staan, valt ook te lezen als een credo van de dichter over de veelvuldige gewapende conflicten van onze eigen tijd, want ‘hier’ verwijst niet alleen naar een stille kloosterwereld maar ook naar de rumoerige 21e eeuw. Dat credo luidt: geweld en doodslag lossen niets op, vernietigen alleen maar. Voor dit inzicht hebben we het geloof niet meer nodig, voldoende kennis kan ook volstaan voor een vreedzaam en zinvol bestaan.
Tegelijkertijd onderstreept hij dat er een hoger weten is, dat niet direct met talige communicatie te maken heeft: ‘hoe we dingen begrijpen / die we niet gezegd kunnen krijgen’. Daar schuilt nog steeds ruimte voor het wonderlijke, of wonderbaarlijke, dat het menselijke bestaan mede inhoud geeft.

Bevers heeft dit alles wel degelijk gezegd kunnen krijgen maar zelfs dan nog valt er ook veel te genieten tússen de woorden, tússen de gedichten, voor wie daar open voor staat.
Beide Lamberten hebben in elk geval meer dan genoeg krediet opgebouwd om zich door velen te laten verstaan!
Ik wens Lambertus Bevers daarom een even lange spanne van aandacht van lezers als de bloemrijke stamboom waartoe zijn gedichtenbundel zo graag wil behoren!

‘LAMBERTUS VAN SINT-OMAARS BESCHRIJFT DE WERELD’; Bert Bevers; Uitgeverij Eigen-Zinnig; 2007; ISBN: nvt; 40 pagina’s; € 10,00.


Albert Hagenaars, 2009.




REACTIES:

Albert Hagenaars heeft een zeer diepgravend, uiterst gedegen werkstuk afgeleverd. Bovendien zeer boeiend om te lezen vanwege de vele wetenswaardigheden die hij invoegt. Daarmee krijgt de bundel de aandacht die hij verdient. Alle lof voor dichter en recensent.
Frans Budé

Amaai, indrukwekkend werk!
Danny Braem

Dat noem ik nog eens een recensie, zie, geschreven door een waarlijk geletterde mens. Terecht, dat boekje is een heel mooie bundel.
Frank Pollet

Wat een grondige analyse, heel leerrijk ook.
Gerda De Preter

Een razend knap stukje werk!
Catharina Baggermans