zondag 21 september 2014

BERT BEVERS - Onaangepaste Tijden


Foto: © Geertje Hoefnagels, 2013

GEKNEUSDE DROMEN, KRIMPENDE EN RUIMENDE EINDERS

Albert Hagenaars over ‘Onaangepaste Tijden’ van Bert Bevers

Het is zover. Eindelijk heb je de nieuwe overzichtsbundel in handen van een dichter wiens werk je al tientallen jaren op de voet volgt, te weten Bert Bevers (º1954). Je ruikt het verse papier en je oog valt al bij het bladeren op pakkende regels en beelden plus, in dit geval, op intrigerende tekeningen van Ron Scherpenisse.
Wat bij deze eerste handelingen met ‘Onaangepaste Tijden’ van Bert Bevers toch ook al opvalt is de grote homogeniteit van stijl. En dat is temeer opmerkelijk omdat het boek 96 gedichten bevat die in tijd van ontstaan soms relatief ver uiteen liggen, van 1995 tot 2007 om precies te zijn, en er bijna evenveel onderwerpen als gedichten zijn! De overeenkomst in stijl wordt benadrukt door de keuze voor een alfabetische indeling, eerder veelvuldig toegepast door de Limburgse dichter Pierre Kemp, en niet voor een chronologische. Daar zal de titel ook nog wel naar knipogen.

De specifieke stijl in deze bundel is het handelsmerk van Bevers geworden en toont aan dat de dichter, die ooit debuteerde met hermetische verzen onder invloed van lexicale lefgozers als Lucebert en later ook periodes kende waarin hij opvallend open en directe teksten maakte, zich nu al een tijd behaaglijk voelt bij een synthese van deze twee perspectieven in zijn carrière. Enerzijds zijn er dus verwoordingen waar je als lezer een tijdlang over kunt nadenken, móet nadenken soms, anderzijds direct aansprekende en begrijpelijke regels.
Dat vroege hermetisme laat nog steeds sporen na, ook veelvuldig in ‘Onaangepaste Tijden’, blijkens o.a.: Van de loefbras glijden ottergladde schietgebeden. uit ‘Koorts’, of: Wij spellen sjablonen voor toegankelijkheid om: / er groeit een taal uit vol reepkerf en schacht, / in het uur van de naderende lopers nog wel. uit ‘Sleutelbegrip’.
Van de tweede soort citeer ik graag pakkende regels als: Sneller uitgestorven dan uitgevonden was de fax / te zwak voor deze razende wereld. Langer was / van natte was een wringer de bedwinger, uit ‘Facsimile’.

Maar of Bevers nu open en begrijpelijk schrijft óf zich overgeeft aan klonterende beelden, al dan niet gecombineerd met neologismen en bijna uitgestorven woorden, vrijwel altijd is er dan toch nog die eigenzinnige, om niet te zeggen eigenwijze prosodie. Er zijn niet veel strofen waarin zinsdelen niet hun best doen de lezer te verrassen. Zelf heeft de dichter me eens toevertrouwd dat hij daar voornamelijk muzikale effecten mee voor ogen heeft, maar al na het lezen van een paar gedichten weet je dat er veel meer oogmerken spelen, om maar eens twee uitdrukkingen te gebruiken die met Bevers’ passie voor waarnemen te maken hebben. Hij dwingt de lezer als het ware om door die onverwachte zinsverbanden met hem méé te kijken, de wereld in al zijn hoedanigheden te ervaren op een manier dus die vaak volstrekt nieuw is. Dit is trouwens ook een van de taken die kunstenaars zich stellen, zich wel diénen te stellen: een nieuwe wereld openbaar maken, ook in tijd. Het is geen toeval dat een van zijn laatste bundels ‘In de buurt van de wereld’ heet.

Ik heb al meer gewezen op Bevers’ grote aandacht voor woorden die met observeren te maken hebben, wat niet betekent dat de andere zintuigen niet aan bod zouden komen. Integendeel zelfs; Bevers schrijft onmiskenbaar sensitieve poëzie, er is juist geen sensor die niet aan bod komt maar feit is dat het kijken, het bekijken (in beide betekenissen van het woord) overheerst. En evenzeer waar is dat hij regelmatig een beroep doet op het denken om alles een plaats te geven, daarom ook begrippen en ander cerebrale middelen aanwendt.
Een mooi voorbeeld van een tekstfragment waarin die tegenstellingen samenvallen biedt ‘Avondmaal’, dat na bestudering van het gelijknamige schilderij van Michael Triegel ontstond.



AVONDMAAL

Strak van zwartheid achterdoek. Of is het voorhang?
Wat zit hij daar te kijk in gillende stilte, aan een tafel
met mooi geplooid laken erover en ruimte voor
wel dertien man alleen. Zijn gezicht onbeschreven blad,
de haren eromheen lijken verse wondkorst als water
dat aan de randen van ruige sloten schoorvoetend ijs wordt.

Achter zijn rug onbekende steden, verzonnen plattegronden,
gekneusde dromen, krimpende en ruimende einders.
Als beloning voor deugdzaam leven een kers, een erg rode.
Vrucht van paradijs naast lege glazen. Hij vraagt zich af
of je kunt stoppen met springen. Agnus Dei. Ontferm u



Los van het feit dat het gedicht bewust niet af is (en daarom ook geen punt heeft) maar in de verwachting van de lezer doorloopt met ‘over ons’ waarschijnlijk, een zoveelste handreiking naar de bezoeker, kunnen we de werkwijze van de dichter op de voet volgen.

Het gedicht vangt dus aan tijdens het bekijken van een schildering. In plaats van direct aandacht voor de centrale figuur te vragen, Jezus van Nazareth, wiens naam niet eens genoemd hoeft te worden maar meteen allerlei historische, religieuze, filosofische en artistieke energie uitstraalt, richt hij zich in de eerste regel al tot de lezer met een vraag over de achtergrond. Een belangrijke vraag want er is een groot verschil tussen zomaar een doek zonder duidelijker functie dan de achtergrond te stofferen en een voorhang, een gordijn waarachter iets wezenlijks verborgen of behoed wordt, zoals bijvoorbeeld het tabernakel in Exodus 26,31. Terwijl je nog daarover nadenkt, stuurt Bevers je alweer naar de volgende bedekking, een mooi geplooid laken over een tafel. Tussen deze parallelle beelden rijst het hij-personage op, dat ‘te kijk zit’, open en bloot is tussen die verhullingen om hem heen, eigenlijk weerloos. Het isolerende karakter wordt voorts versterkt door de verwijzingen naar een gillende stilte en naar dertien mannen, elk alleen. Dan is er weer een sprongetje naar openheid met ‘het onbeschreven blad van Zijn gezicht’. Hier valt het gelaat van de spirituele leider, die nu bijna een verlosser is, samen met het papier dat de dichter moet zien te vullen, het hulpmiddel voor zijn eigen schepping. Niet voor niets staat er het woord ‘onbeschreven’! Maar, sprongetje terug naar bedekking en verhulling, dat gelaat is gevat in een beeld dat een ander beeld wordt en dat op zijn beurt ook nog eens. Even parafraseren: het onbeschreven gezicht wordt omkranst door vieze haren die op water lijken dat op zijn beurt weer overgaat in ijs. Om aan te tonen dat het Bevers niet om vrijblijvende Spielerei gaat, wijs ik graag op de verheffing van het materiaal: van schimmelende verf (we kijken immers nog steeds naar een schildering) naar water in een ruige sloot en vandaar naar ijs, ofwel van beweging naar stilstand, en ook nog van smerig naar puur! Daar komt bij dat de wondkorst al verwijst naar de wonden die heel gauw zullen volgen (korst ook al koorts oproept) en de verijsde slootranden naar de doornenkroon, die eveneens voorgoed om het hoofd zal blijven zitten.

En dan hebben we nog maar terloops één strofe behandeld. Over de tweede valt minstens zoveel te vertellen, zeker gelet op het motief van de erfzonde, hier geen appel maar een kers, een motief dat op zich weer symbool staat voor de bron van kennis, het weten, het voor Bevers o zo belangrijke weten, dat voor hem het beheersen van de werkelijkheid, of de creatie behelst, niet in het laatst van een gedicht. Jezus zit aan een tafel maar voelt zich tegelijk gevangen in zijn afzet, er is immers geen terug meer. En daar, in dat vacuüm, moment dat al tot in onze tijd voortduurt, wordt het Lam Gods opgeroepen, een motief waar je boeken over vol kan schrijven maar dat voornamelijk betrekking heeft op enerzijds zelfopoffering en het dulden van het lijden maar anderzijds, volgens de Openbaring althans, op de heerschappij van Christus als Lam, waarmee het Lam dezelfde waarde krijgt als de Leeuw uit Juda’s stam. Kort gezegd, het slachtoffer zal zegevieren en heersen! De dichter geeft zich over aan het papier en zal zich transformeren in een gedicht, een boodschap voor anderen.







Het zou mooi zijn als elk van de opgenomen gedichten zoveel gelaagdheid en spiritualiteit kende maar dat is niet het geval. Er zijn ook teksten die in eerste instantie de dichter zelf, in tweede instantie de uitgever, eruit had moeten laten. Ik denk dan aan bijvoorbeeld ‘Harewood House’, waar Bevers, altijd wel goed voor een zwierige omschrijving, nauwelijks uit de beschrijving komt:



Hier raakte een Christus van Pollaliuolo
verzeild. En maakte Roger Fentom reeds
in 1860 foto’s. Hier, onder de rook van Leeds,
is ook een vogeltuin. Met zicht op Harewood Lake.

Een toerako doet er of Yorkshire Oeganda is,
de veelkleurige kop als een zonsondergang
boven Mbukamuti op het lijf geschroefd.
Bizar gevleugelte. Paarlemoeren landgoed.



Natuurlijk zijn er lezers die ook zoiets mooi vinden maar inhoudelijk blijft er na aftrek van het schroefbeeld en de name dropping niet veel over. Dit gedicht heeft aantoonbaar al heel wat minder te bieden dan ‘Avondmaal’. ‘Onaangepaste Tijden’ zou een sterkere bundel geworden zijn als er 10% minder gedichten in stonden.

Ik zou er zelf wél enkele korte en grappige teksten in houden zoals ‘Haikoe’, een geslaagd doordenkertje: Voor de bomen blij / ben ik dat het weer regent / en er achter ook. Inhoudelijk zorgen zulke regels ook voor afwisseling. Bevers is wel een serieuze dichter maar maakt niet altijd ernstige gedichten, hij kan humoristisch schrijven en ook ontwapenend teder, getuige het door zijn vrouw geïnspireerde ‘Cantilene’.



Daar flaneert mijn Geertje in haar nieuwe robe,
als bijna een en vijftigjarig meisje. Keer op keer
weer ben ik blij dat wij elkaar zo mogen kennen.

Natuurlijk dromen we niet parallel maar onze
nachten varen zacht. Wij hebben ons in het leven
weten te bekwamen, delen veel verleden.

We kennen van elkaar de zwakke plekken zonder
daar te raken, en hebben zelfs geheimen samen soms.
Zoals het weten in het midden van de stad verborgen

tussen kreupelhout een bedje bosaardbeien.
Ik hou niet net zoveel van jou als toen we hand
in hand de wereld binnen sprongen maar veel meer.



Dat is heel andere koek dan ‘Avondmaal’. Toch behoort ‘Avondmaal’, hoe fascinerend ook, niet eens tot m’n favoriete gedichten in deze bundel. Nee, het is bij toeval, op de pagina’s waar het boek openviel toen ik aan de recensie begon, op het toetsenbord beland.
Nog liever namelijk lees ik een vers als ‘Première’, dat in al z’n poëtische pracht zwanger gaat van verderf en dood; ook de politiek weet zich geliefd in Bevers’ brede areaal van thema’s en motieven:



Wenen. Mei 1906. Salome van Richard Strauss
gaat klinken in deze oude Dubbelmonarchie.

Uitverkochte zaal, leert een kier tussen gordijnen.
Geroezemoes heet in het Duits Geschwirr.

Benieuwd naar wat er komen gaat slaat
Gustav Mahler zijn programmaboekje open. Hé, kijk:

ook Giacomo Puccini is hier. Wat verderop
strijkt bleek een jongeling, voor het eerst in de stad

om musea te bekijken, z’n haren glad. Net zeventien
is hij, en zijn paspoort noemt hem Adolf Hitler.

Licht dimt. En doek gaat op. Geruisloos haast,
als op een uitvaart de trage tred langs overlevers.



Wat een magistraal slot! Maar ook de rest mag er wezen, zelfs de beschrijvingen die hier een duidelijke geleiding naar de ontknoping hebben alsmede de name dropping, die in tegenstelling tot die in Harewood House een functionele densiteit aan betekenis kent.
Het begint al goed met Wenen, nu het stedelijke waterhoofd van Oostenrijk maar nog geen eeuw geleden de machtige hoofdstad van een heus imperium.
Salome belooft al niet veel goeds. Wat een vondst van de dichter; het is namelijk de vrouwelijke vorm van Salomo, een naam die ‘vredevol’ betekent! We hebben hier dus niet alleen een dubbelmonarchie maar ook een dubbele verwijzing naar, alweer, de Bijbel waar twee Salomes in voorkomen: 1) de vrouw van Zebedeüs en moeder van Jakobus en Johannes, die aan Jezus’ kruis stond en meeging naar zijn graf, en 2) de jongedame die voor haar dans voor Herodus Antipas het hoofd van Johannes de Doper ontving, en dit is natuurlijk de Salome, zij het in de bewerking van Oscar Wilde, die Strauss als materiaal koos. Ik vermeld deze wetenswaardigheidjes mede om te laten zien hoe de dichter, ook al dateren de gedichten van ‘Onaangepaste Tijden’ uit uiteenlopende periodes, door middel van dit soort links de eenheid van het boek versterkt. ‘Uitverkochte zaal’ staat in sterk contrast met de ontelbare open plaatsen na het plaatsvinden van de twee wereldoorlogen, in feite een verdubbeld conflict. De kier tussen gordijnen (hier weer één van Bevers’ talrijke kijkmotieven) is niet een opening naar het spektakel op de bühne maar naar dat van onze tijd, onze wereld. Geschwirr doet mij denken aan verschwinden en Gewitter maar betekent in elk geval behalve geroezemoes ook ‘het fluiten van kogels’! Tussen de twee componisten Mahler en Puccini, elk ook altijd goed voor de nodige dramatiek, staat opnieuw, en ditmaal al heel wat prominenter, een oproep aan de lezer om te kijken!
De jongeling verderop ís niet bleek, schrijft Bevers, maar hij strijkt z’n haren op een bleke (dus ongezonde) manier glad, een mooi beeld voor gladstrijken, doen verdwijnen…een beeld waar de jonge T.S. Eliot trots op zou zijn geweest. De slotregels spreken voor zich en behoren wat mij betreft tot Bevers’ hoogste esthetische kunnen.

Ik weet wel zeker dat Bevers niet alles wat ik gevonden heb er bewust in gestopt heeft. Dichters zijn nu eenmaal niet de beste lezers, laat staan de beste duiders van hun eigen werk. Dat kun je beter aan critici overlaten. Dichten gaat vaak gepaard met zo’n verhevigde concentratie van denken en voelen dat er, ten koste van het bewust volgen van de ontstaansgeschiedenis, een trance kan ontstaan, een roes die het creatieve proces voortstuwt en de kwaliteit met die extra energie op een hoger niveau brengt. Ontelbare dichters hebben er al van getuigd dat zo’n roes bronnen aanboort waar ze in nuchtere staat geen beschikking over hebben. Het meest profiteren de symbolen en verwijzingen hiervan, die behoren tot wat Jung terecht omschreef als het collectief onbewuste, het dicht geweven semantische web waar iedereen in z’n eigen regionale, nationale en grotere cultuurgebonden domein de beschikking over heeft.
Wat de dichter, bewust of onbewust, bedoeld heeft is daarnaast niet het enige criterium dat aan bod komt bij het beoordelen. Elke lezer heeft ook nog z’n eigen achtergrond en voegt er hoogst persoonlijke interpretaties aan toe. Bevers’ poëzie is in ieder geval rijk want bevat naast muzikaal genot dus ook veel betekenisstraling. Hij huldigt in de praktijk het begrip ‘eenheid in verscheidenheid’. De talrijke tegenstellingen worden bijeengehouden in het vat van zijn onverbrekelijke stijl.

Dat hij zich er in ieder geval wel degelijk bewust van is in een lange traditie te staan, wordt aannemelijk als je ziet hoe frequent hij verwijst naar befaamde, maar soms ook alweer vergeten voorgangers en voorbeelden zoals Franz Kafka (schrijver), William de Westgate (pastoor), Thomas More (humanist en staatsman), Henri de Braekeleer (schilder), Justus Lipsius (filoloog en historiograaf), Jozef Eijckmans (dichter), Roger Fenton (fotograaf), Hiroo Onada (een tientallen jaren in de Tweede Wereldoorlog levende Japanse soldaat), Diocletianus (Romeins keizer), Pippijn III de Korte (Karolingische vorst), Lee Harvey Oswald (moordenaar en/of ‘patsy’), Clive Staples Lewis (kinderboekenschrijver en christelijk apologeet) en ga zo maar door, duidelijk personages die stuk voor stuk staan voor een beginsel, én beginselvastheid.

Het is dan niet vreemd meer in dit illustere gezelschap ook Jacob Obrecht aan te treffen, pakweg 500 jaar geleden Bevers’ stadgenoot, aan wie hij de volgende regels wijdt:



Daar staat hij eenzaam achterin: laat zonlicht
via glas-in-loden engel op een wit gelaat.

De vespers ruisen kruisgewelfs nog na.
Tussen pilaren door zal het motet weerklinken

dat in zijn hoofd afronding haast nabij is.
Zijn zangers hebben geen vermoeden nog.

Hij hoort hun stemmen reeds. Zijn glimlach straalt
verrukking uit wanneer zijn tred zich richt naar het koor.



Ook hier weer een paar fraeye voorbeelden van Bevers’ aanpak. Hij gebruikt dan wel een oud woord als ‘kruisgewelf’ maar kneedt dat tegelijk tot de vorm van een andere grammaticale functie, hetgeen een neologisme oplevert. Hij rept van een eenzame koormeester maar laat die samenvallen met het licht dat door een engel heen valt (een origineel beeld, lijkend op dat in Avondmaal!) en hoe kan iemand dan nog eenzaam zijn? Daar komt nog bij dat Obrecht niet ten prooi gevallen is aan de existentiële eenzaamheid van onze tijd maar de zaligheid ondergaat van het besef iets alleen, eventueel met Gods genade, te hebben gemaakt dat echter pas kan bestaan dankzij de hulp van anderen. Zijn motet kent daarmee een lot dat uitstekend vergeleken kan worden met dat van een vers!

Rest me nog te wijzen op de meerwaarde die de tekeningen van Ron Scherpenisse bieden. Het gaat om maar liefst 27 stuks, waarvan er 21 bij een specifiek gedicht gemaakt zijn.
Ze zijn minimalistisch uitgevoerd, soms in slechts enkele bewegingen, maar roepen desondanks spanning op, een dubbele spanning zelfs. Natuurlijk is er het spel van aantrekken en afstoten tussen woorden en lijnen al maar ook nog eens dat tussen de onderlinge benaderingswijzen van Scherpenisse; nu eens noteert zijn hand snel en trefzeker, dan weer probeert hij zoekend, aarzelend zelfs, dichter bij de essentie van de op de belendende pagina afgedrukte zinnen te komen. Ze hebben echter, ontstegen aan het niveau van ‘plaatjes bij praatjes’, het niveau van zelfstandige creaties en zouden het goed doen, gevat in extra grote lijsten, op een expositie in een zaal die in het licht baadt. In de beste gevallen zijn ze abstract en figuratief tegelijk.
Wat een klein mirakel dat deze materialistisch spaarzaam tot stand gekomen tekeningen zo goed passen bij het eerder stevig in het taalvlees zittende werk van Bevers!

Er verschijnen veel te veel poëziebundels om ze allemaal te kunnen lezen. Alleen daarom al is het goed dat er recensenten zijn die de ontwikkelingen in de gaten houden, groepen dichters samenvoegen of uit elkaar trekken, duidelijke lijnen trekken kortom.
Bij ‘Onaangepaste Tijden’ is het zinvoller lijnen tussen de gedichten (en desgewenst de tekeningen) onderling te trekken want de positie die Bert Bevers inneemt is een unieke. Hij behoort al lang tot geen enkele stroming meer, heeft zich door zijn ervaring en eruditie, door zijn ronduit achterdochtige benadering van trends en andere producten van de massamedia (ook hier verwijst de titel naar) en vooral door zijn onderscheidende stijl tot een eigen instituut ontwikkeld, waarin de toevoegingen van het heden zeker een belangrijke rol spelen maar meer plaats ingeruimd is voor de verworvenheden van de geschiedenis. Dat maakt hem evenzeer tot een hedendaagse als een klassiek gerichte dichter, een dichter die staat kan maken op meer aandacht nog dan die hem met name de laatste jaren al ten deel valt!



Onaangepaste Tijden- Gedichten: Bert Bevers. Illustraties: Ron Scherpenisse. Doorgeverij Zinderend, 2006. ISBN: 90-76554-09-7. Prijs: € 12,50. Deze recensie werd in een verkorte vorm gepubliceerd in Poëziekrant no. 3 april-mei 2007, blz. 79-80, en in dezelfde lange versie op de site www.alberthagenaars.nl, in de rubriek Kritieken (waar ook andere recensies over het werk van Bert Bevers te lezen zijn)



donderdag 28 augustus 2014

FROUKE ARNS - Mensen die je misschien kent & ANNELIE DAVID - Machandel


FRAPPANTE RAAKLIJNEN

De debuten van Frouke Arns en Annelie David

Het is zonder meer treffend dat twee dichteressen tegelijk en dan nog bij dezelfde uitgeverij debuteren, succesvol debuteren zelfs, in Nederland wonen maar alle twee uit Duitsland afkomstig zijn en zich inhoudelijk vooral op (menselijke) relaties richten. Het gaat om Frouke Arns en Annelie David, die bij Marmer publiceren.




Het is lang niet elke debutant gegeven met een hoogst origineel geluid te komen. De tweetalige Arns, geboren in 1964 in het Duitse Handorf, wist hier mede dankzij haar late start wel voor te zorgen. De titel, ‘Mensen die je misschien kent’ en vooral de omslag (sportschoenen op een radiator) van haar bundel suggereren al welke kant het opgaat: waarnemingen die overgaan in beschouwingen en mogelijkheden. Het proces dat haar over drie afdelingen verspreide gedichten volgen is nooit de enige weg, laat staan de meest waarschijnlijke. Op werkelijk elk moment, vaak al in de eerste regel, kan de lezer geconfronteerd worden met zinsdeelcombinaties en beelden die alleen van een waar talent kunnen zijn. Een voorbeeld van het eerste uitgangspunt: “Ik weet nog hoe ik jou beging”. En van het tweede: “Uit de schoot van de man tegenover je groeien chrysanten”. Arns overtuigt over de hele linie. Als zij in staat is haar parameters nog scherper af te stellen; de intrinsieke, zeg de poëtische, logica dwingender te maken zónder daarbij minder irrationeel te worden kan zij uitgroeien tot een topdichter. Nog een markant fragment, uit ‘Narcose’:


Er was een droom waarin ik na de knal
speelgoed raapte van het gras. Hoe ik daar
terechtgekomen was. De zoon die ik nooit had
zat verscholen achter bladgroen op een tak,
kwinkelerend als een merel. Uit struiken
kolkten spreeuwen recht de hemel in.




Annelie David (1959, Keulen) woont sinds 1982 in Nederland. Ze was aanvankelijk danser en choreograaf maar koos in 2003 voor de poëzie en schrijft in toenemende mate in onze taal. 'Machandel', (dit Oud-Friese woord betekent jeneverbes) is haar debuut. De bundel laat zien dat zij formeel diverse opties open houdt. Vormtechnisch lopen haar gedichten namelijk uiteen van kortregelige strofen tot proza zonder hoofdletters. Inhoudelijk roept zij een spanningsveld op tussen een hij en een ik, een jij en een ik, en tevens tussen vader en moeder en kind. Natuurbeelden en jeugdherinneringen spelen een grote rol. Ook is er een fascinatie voor de knoet van de tijd, die zich uitstrekt tot in de toekomst. David heeft aandacht voor wat zacht en kwetsbaar is maar in het verlengde daarvan schuilt onheil, getuige een fragment als: “je was melk, zacht als dons / ik had je botten kunnen breken”. Haar zegging is authentiek en zou nog aan kracht winnen bij een grotere contractie.
Tussen onderstaand fragment uit een van haar treffendste gedichten, getiteld ‘wat ik zie geef ik geen naam’, en bovenstaand citaat van Arns zindert meer dan één raaklijn:


sprookjes bestaan niet, dromen zijn niet waar
dat weet ik, sta op, loop van het bed naar het raam
een wolk trekt loom als een walvis, melkwit is de maan
er dringt zich iets op, iets van kindertijd, bloed dat vloeit
uit een snee in de huid, het is maar huid, open huid
ik kijk toe hoe sneeuw valt wat ik zie geef ik geen naam


Globaal gesproken verschillen deze dichters in zoverre van elkaar dat Arns al een eigen stijl lijkt te hebben gevonden die haar gedichten een horizontale strekking geven en David nog dusdanig zoekt, of behoefte blijft houden aan een flexibele vorm, dat je daar het etiket verticaal op kunt plakken.


Frouke Arns; ‘Mensen die je misschien kent’; 70 pagina’s; Uitgeverij Marmer; oktober 2013; ISBN 978 94 6068 152 3; Prijs € 12,50.
Annelie David: ‘Machandel’; 78 pagina’s; Uitgeverij Marmer; oktober 2013; ISBN 978 94 6068 149 3; Prijs € 12,50.


Deze bespreking verscheen eerder in het orgaan De VVL-Boekhouding, in december 2013. Klik op: http://deboekhouding.blogspot.nl/2013/12/frappante-raaklijnen_17.html

vrijdag 30 mei 2014

H.H. TER BALKT - Tegen de bijlen. Oden en Anti-Oden



Foto: © Bert Bevers

TWEESNIJDENDE BLADEN

Albert Hagenaars over 'Tegen de bijlen' van H.H. ter Balkt

Als ik H.H. ter Balkt tegenkom, moet hij me toch eens uitleggen wat hij bedoelt met de ondertitel 'Oden en Anti-Oden', met dit laatste woord natuurlijk.
Ode komt van het het Griekse oidè en betekent gezang. In de loop der tijden is deze betekenis verstrengeld geraakt met die van o.a. hymne en lofzang, maar een echt bezwaar is dat niet; alle genres benadrukken de muzikaliteit, hoewel de hymne zich meestal op abstracter zaken en het religieuze richt en de ode aardser en concreter van karakter is. Enkele andere kenmerken van de ode zijn behalve het huldigen: een deftig onderwerp zoals een oorlog of de dood van een staatsman, een vaste versmaat en een gecompliceerde structuur.

Tijdens de Renaissance doet de ode met Petrarca en Ronsard z’n intrede in de toenmalige volkstalen. Voor die tijd werden de oden in het Latijn gemaakt. In de Nederlanden sluiten o.a. Lucas de Heere (Ter Balkt sloeg het stof al eens van hem af), Jan van der Noot en Revius zich bij deze mode aan.
De tweede golf in onze contreien wordt door de Romantici aangeblazen: Julius de Geyter, Johan Michiel Dautzenberg, Reinvisch Feith, Hieronymus van Alphen en niet te vergeten Bilderdijk uiteraard.
Ook hierna worden nog wel oden gemaakt, langzaam maar zeker verliest het genre echter z’n typerende formele aspecten.

En nu komt Ter Balkt, die ons al sinds z’n eerste bundels ode en hymne genoemde teksten aanbiedt -ik denk aan ‘Hymne aan de neergestorte straaljagerpiloot’ in ‘Boerengedichten’ (1969), ‘Ode aan de bosbesstruiken’ en ‘Ode aan de gierpomp’, beide in ‘Uier van t oosten’ (1970), ‘Ode aan kat Grietje’, in ‘Aardes deuren’ (1987), en die in z’n 15e bundel het woord ode zelfs op de omslag zet, ‘Ode aan de Grote Kiezelwal’ (1992)- ineens met Anti-Oden op de proppen!

Eerst dacht ik nog even dat ‘Tegen de Bijlen. Oden en Anti-Oden’ weer een dubbelbundel was, zoals ‘De gloeilampen De varkens’ (1972) maar dat is de schuld van typograaf Leendert Stofbergen, die meende de naam van de dichter, de titel en ondertitel plus de naam van de uitgeverij in hetzelfde lettertype en dezelfde lettergrootte pal onder elkaar te moeten zetten.
Toen ik er achter kwam dat het een ondertitel betrof, dook ik in diverse woordenboeken om Anti-Ode verklaard te zien, maar ik kwam niet verder dan Anticlimax, Anti-held, Antipater van Sidon, Antiphon en Antiroman, de enige anti-o… zijnde de antioproerpolitie, zo goed passend in Ter Balkts ‘Helgeel Landjuweel’.
Hij heeft dus een neologisme aan onze taal toegevoegd. Maar wat bedoelt de Nijmeegse dichter ermee? Een lofzang tegen iets, een zang die dus tegelijkertijd ophemelt en verwerpt? En dan nog hetzelfde object bejubelt en afwijst óf, het een afwijst ten gunste van het andere? Of moeten we het, Ter Balkts fascinatie voor de oudheid kennende, wat dieper zoeken en bijvoorbeeld analoog aan een epodische trias (strofe – antistrofe – epode) een tekst proberen te zien die uit twee tegengestelde bewegingen bestaat met eventueel een verzoening, een Balktiaanse dialectiek als het ware?

Ik bestudeer de inhoudsopgave: 33 titels waarvan 13 expliciet de benaming ode dragen en 2 de aanhef ‘Aan’. En kijk, wat is dat nou? Had Ter Balkt gebrek aan inspiratie? We komen hier, al dan niet bewerkt, oude gedichten tegen: de eerder genoemde ‘Ode aan de bosbesstruiken’, plus ‘De Beeldenstorm’, ‘Intocht van de Kamers’ en de drie ‘Antwerpse Rondelen’, dit alles uit ‘Helgeel Landjuweel’ (1977), ‘De dorsmachine’ en ‘De Houtkist’ uit ‘Oud gereedschap, mensheid moe’ (1975) en ‘Slechte knechten’ uit ‘Waar de burchten stonden en de snoek zwom’ (1979). En mijn verzameling Ter Balkt-bundels is niet eens compleet!

Terwijl ik de versies vergelijk, ontdek ik dat de eerste regels van ‘Slechte knechten’ luiden:



Ik schrijf een anti-ode
aan mijn gebrekkige knechten, mijn hart, mijn gal

mijn sluwe hersenen




en verderop



Ik zing een anti-ode aan ’t grauw
dat mij jonast en uitzuigt, mijn ongezeglijke organen
.



We weten nu dat de dichter zijn nieuwe woord al twintig jaar geleden introduceerde en dat toen als een tegenzang bedoelde. Zou dat ook in de nieuwe gedichten in de al minder nieuwe bundel het geval zijn?

De hoofdtitel roept gelukkig minder vragen op. In ‘Ode aan de betekenis’ gewaagt hij van “Zagen en bijlen tegen de rolwagens, tegen de rolwagens alleen”, in ‘Wat de elektronen vertellen over de geest van Rome, langer dan een eeuw geleden’ staat: “Bij gebrek aan wereld // en beter, hakken de dichters werelden / van anderen in elkaar.” en, boekdelen sprekend, in de korte ‘Ode aan de triomfzang tegen de bijlen’, die hier integraal volgt:



Door de rondvliegende spaanders zien wij het bos niet meer
Eens, op de planeet, toen het later was dan na middernacht
klink nog helder op, triomfzang tegen de bijlen nog laat aan het werk
klink op, zangen in de keel al bijna door stikstof omgebracht




Het moge duidelijk zijn; waar Ter Balkts thema het verzet is, het verzet tegen alles wat het organisch gegroeide kapot maakt, is de bijl een van de motieven van de vernietiging en de bijl wordt aan beide zijden ingezet: door de vernielers van bijvoorbeeld de oude bossen en door de dichter die er hun materieel, zoals die rolwagens, mee in mootjes wil hakken.






Wie net als ondergetekende op een wending, een nieuwe ontwikkeling hoopte, komt bedrogen uit. Weinig dichters zijn zo trouw aan hun poëtica, zíjn zozeer hun poëtica, als Ter Balkt! Weliswaar is hij in de loop der jaren vormvaster gaan schrijven, maar de bekende onderwerpen, motieven en trucjes keren overvloedig terug.
Ter Balkts werk is een vat van tegenstellingen; tijden vallen samen, bundels lopen in elkaar over, evenals het persoonlijke en het algemene, de politiek en de natuur, popsongs en klassieke literatuur, verschillende locaties en noem maar op. De man verdient zelf een ode omdat hij er toch weer elke keer in slaagt om van al die brouwsels één ondeelbaar gerecht te maken.

Er is in ‘Tegen de bijlen’ geen formele onderverdeling maar wel zijn er diverse groepjes gedichten te onderscheiden op basis van onderwerp en inspiratie, waaronder verspreid in de bundel geplaatste verzen die hun ontstaan danken aan een reisbeurs voor Rome. Geen wonder dus dat er ditmaal over de ‘David van Bernini’ en ‘De Mozes van Michelangelo’ geschreven wordt en opnieuw naar Oden-propagandist John Keats verwezen kan worden, die de Eeuwige Stad niet meer zou verlaten. Maar bij Ter Balkt maakt het nauwelijks uit wáár hij is. Beelden, teksten, muziek van anderen gebruikt hij als een tondeldoos voor z’n eigen nieuwe werk. Alles, letterlijk alles kan de vonken losslaan. Ook in dat opzicht vlaagt Ter Balkt volstrekt uniek door onze letteren. De Mozes wordt bijvoorbeeld een oude boom:



Het marmer stroomt van hem af als van een woudreus.
Aan het vertoornde hoofd, als een aambeeld waarlangs
boomwortels afdalen, gekamd door vingers, ontspringt
het tweetal hoorns, dat zegt Door Gods licht geraakt
.



En David krijgt alles te maken met Ter Balkts kat Willie die nog in de nacht dat dit dier overleed het woord ‘kill’ op de typemachine intikte. Zonder die zwijgende kat (een offer, een profetie?) geen overwinning op de bruut Goliath! Verderop in het boekje zit overigens een zwarte kat op het graf van Keats te spinnen. Je wordt duizelig als je alle verbindingen probeert te leggen en je verkeert steeds in de wetenschap dat de dichter je toch altijd vóór blijft.

Het zou geen bundel van Ter Balkt zijn als er ook niet weer bestofte machines en apparaten bezongen werden. Alhoewel, zingt H.H. eigenlijk? Ik vind van niet, voor mij is hij vooral een beeldenstrooier. Toch verheft zijn middeleeuwse basstem zich vanuit gemopper en gemor over onze vraatmaatschappij en haar uitwassen soms tot lyrische uithalen, variërend van:



Gedenk de wringerrollen van de Miele en zijn witte oden



tot:



Haal hard uit en slinger de stenen
Hij die verordonneerde “Kou. Ondergang
Breek, breek zijn ogen, dood hem dan
.



Het grappige is dat hij, mits eerder geboren, laten we zeggen honderd jaar geleden, waarschijnlijk de houten ploeg en de dorsvlegel had bezongen en de nu in ‘Tegen de Bijlen’ bezongen strosnijdmachine en hooikeerder juist verketterd. Zoals hij over honderd jaar de verloren gegane schoonheid van het “sierlycke Slingerende Prins Clausplein” (AH) zou kunnen betreuren. Daar durf ik m’n complete collectie bundels om te verwedden.

Ondanks de opmerkelijke dichtheid van beeldspraak en verwijzingen zitten er toch vale plekken in het weefsel. Bij eerste lezing laat je je nog makkelijk overdonderen door de ongehoorde verbanden en elkaar verdringende allusies maar bij herlezing beginnen ze je op te vallen, de bleke regels, de zwakbegaafde opsommingen die lang niet altijd een functie als afleiders en buffers kunnen claimen:



Een bietenveld is een bietenveld is een bietenveld
De A 73 is de A 73, niet de A 72 maar de A 73




of de uit de bocht vliegende beelden als:




In ’t vermoeide landschap
tjokvol eenakters (‘’t Kwik, dat is de ander’)
roeit de murwheid zijn boot met twee spanen naar de eeuw aan de horizon




Smaken verschillen, maar naar de mijne vormen deze laatste regels een monstrum! Ik mis bovendien hoogtepunten, enkele met kop en schouders boven de rest uitstekende gedichten, van het kaliber van ‘Ötziman op de Ötztaler Alp’ in ‘Ode aan de Grote Kiezelwal’.

Er blijven nog enkele vraagjes. Waarom, als je toch al leentjebuur bij jezelf speelt, niet méér oude odes opgenomen (de ontbrekende zijn zeker niet slechter dan de gekozene) en wel bijvoorbeeld een vierregelig versje als ‘Zilverglans’, of het al net zo korte ‘De houtkist’, teksten die niks aan de bundel toevoegen, eerder de rode draad schuren.
En waarom soms zinnen in een en het zelfde gedicht besluiten met een punt en dan weer niet, terwijl de volgende regel wel met een hoofdletter begint (zie citaat van ‘Ode aan de triomfzang tegen de bijlen’)? Zijn dat type- of zetfouten, slordigheden, of heeft Ter Balkt hier een geheimzinnige bedoeling mee?

‘Tegen de bijlen’ toont prachtige momenten maar heeft inhoudelijk noch stilistisch iets nieuws te bieden. Van de 33 gedichten zijn er 8 uit vorige bundels afkomstig, waardoor dus maar liefst een kwart ouwe koek is. Dit veel te grote aantal valt ook niet te rechtvaardigen door de wijzigingen want die zijn nauwelijks noemenswaardig. De bundel zit compositorisch rommelig in elkaar en telt geen tekst die de bundel schraagt. Al bij al is het dus een middelmatige uitgave geworden. In het oeuvre van Ter Balkt voeg ik daar onmiddellijk aan toe, want feit is wel dat ‘Tegen de bijlen’ nog altijd heel wat boeiender is dan de vele bundels die elkaar op the middle of the road van de Nederlandstalige dichtkunst verdringen!


H.H. TER BALKT; ‘Tegen de bijlen, oden en anti-oden’; De Bezige Bij; ISBN: 90-234-4780-8.


Deze bespreking werd eerder gepubliceerd in De Houten Gong, jrg.1, no. 1, februari 1999.




www.alberthagenaars.nl

zondag 27 april 2014

PIEN STORM VAN LEEUWEN - Akkers en zeevlam




HINKELEND DICHTEN OP TWEE BENEN

Albert Hagenaars over de vierde bundel van Pien Storm van Leeuwen

Je tikt met je pink tegen een champagneglas en daar komen de leeuwen al aangestormd! Zo'n associatie had ik toen ik voor het eerst, al vele jaren geleden, de naam Pien Storm van Leeuwen tegenkwam. Ik dacht ten onrechte dat haar echtgenoot Storm heette en Van Leeuwen de meisjesnaam was en ik zal de enige niet zijn. Het is echter een dubbele familienaam. En, het is een symbolisch interessante naam als je gelooft dat het eerste deel iets fragiels vertegenwoordigt, of iets vluchtigs, en de beide volgende elementen voor kracht staan.
De mensen die de naam kennen zullen hem waarschijnlijk eerder verbinden met de vasthoudende poëzieactiviste die op vele tientallen plaatsen in de openbare ruimte in Noord-Brabant en de provincie Antwerpen gedichten op zwerfkeien en banken wist te realiseren (het nog steeds groeiende Poosplaatsen-project) dan met de dichteres die in 2004 met 'Zinder' debuteerde en nu haar vierde bundel aflevert. Wat mij betreft is deze ‘laatsteling’ ondanks de vele overeenkomsten met het vroeger verschenen werk opnieuw iets beter, al is het maar omdat de schrijfster meer doordacht te werk ging.
Pien Storm van Leeuwen werd geboren in Bennebroek maar woont al sinds de tweede helft van de jaren zestig in West-Brabant, eerst in Bergen op Zoom en momenteel in Chaam.

De titel is al net zo ambivalent als de naam van de dichteres. Althans, als je aanneemt dat 'akkers' voor concrete waarnemingen en beschrijvingen staat en 'zeevlam' een neologisme is dat een hulde aan de verbeelding wil zijn. Tot mijn verbazing is het laatste woord echter net zo reëel als het eerste. Volgens de verklarende woordenlijst achter in de uitgave is het de naam van een snel vanuit zee optrekkende mist. En dit niet alleen; ook andere begrippen die ik omwille van hun veronderstelde prikkelend nieuwe inhoud waardeer kennen een eerbiedwaardig lange etymologie, zoals 'onland' (onbruikbaar, woest land), 'moerlemei' (wanorde), 'walen' (draaien of kenteren/ kantelen), 'spreng' (de oorsprong van een beek). Ze vormen een spannende en welkome tegenhanger voor trefwoorden als 'verlegen', 'schuchter', 'ergens', 'weeft', 'strijkt', 'fluistert' enzovoort, die zó uit het geheime cahier van een schoolmeisje zouden kunnen rollen en misschien mede aanleiding waren voor Ad Haans om het streven van de dichteres te omschrijven als "de vaardigheid om hele [sic] subtiele observaties ragfijn te verwoorden", zoals de achterflap vermeldt. Toch zet Storm van Leeuwen wel degelijk eigengemaakte woorden in, net zo gemakkelijk als ze grammaticale functies naar haar hand zet. Ik wijs dan op zinsneden als: "zien venstert verten / verlieft mij / in heuvelend land" en ook "rijp rijmt / tot vrozen vacht" en vooral "waar land en zee / elkaar nabij / in laagten evenaren" dat door de meervoudige betekenis van het laatste woord aantoont dat poëzie met recht de taal regeert in plaats van andersom.

'Akkers en zeevlam' ziet er dankzij de medewerking van ontwerpbureau Meyer/Van Gerwen fraai uit. Zo staan er ook passende kleurenfoto's in, voor elke afdeling eentje, van Jan Willem Storm van Leeuwen. De publicatie kent drie afdelingen van respectievelijk 10, 9 en 10 verzen. Thematiek en kwaliteit zijn opvallend consistent. Voor zover daar wisseling in aan te wijzen is, bevindt die zich ín de gedichten en niet ertussen.

De openingstekst, vermoedelijk uitgaand van de uitdrukking 'aren lezen', is zo niet het beste dan toch poëticaal het meest geslaagde gedicht. Het geeft aan waar het Storm van Leeuwen om gaat:


OOGST

dicht aan de aarde
zomerde koren zich rijp

men sneed de halmen
dorste de aren
zamelde zaden

men las het graan
nam de oogst van het land

stoppels kleuren nu heuvels
trekken lijnen van oker en goud

vreemd tot wielen gewenteld
wacht stro nog te velde

wacht tot men
bundels ontbindt
vezels breekt en
prest tot papier

tot men stro
in de hand neemt
en leest als
drager van woorden


In overdrachtelijke zin is dit een bijna perfect gedicht. Bijna, want 'vreemd' zit erin terwijl die gewaarwording bij de lezer juist opgeroepen zou moeten worden in plaats van benoemd. Dit woord is dus overbodig.
De slotregel doet het waarschijnlijk vergeten want daar is de koppeling tussen handwerk en geestelijke arbeid tot stand gebracht, zoals eerder, niet toevallig in het midden van de tekst, de overgang tussen het verleden en het heden plaatsvond. De onvoltooid verleden tijd maakt daar namelijk plaats voor de onvoltooid tegenwoordige tijd. Er zijn nog meer verbanden, meestal tegenstellingen, aan te geven, tussen bijvoorbeeld ontstaan en voltooiing, proces en product, natuur en menselijke ingreep en, in engere zin, tussen leven en dood en opnieuw leven... Hier is duidelijk goed over nagedacht. Storm van Leeuwen schrijft gelukkig nooit eendimensionaal; overal zijn zinvolle duidingen in de tekst geweven.





Verreweg de meeste regels zijn kort, bestaan herhaaldelijk uit één woord, wat het vloeiende karakter van deze poëzie vreemd genoeg niet in de weg staat. Bij nadere beschouwing zie je dat de melodie verder stroomt doordat Storm van Leeuwen haar zinnen over een strofe uitsmeert en vaak nog over de volgende. Zij weet wat enjambement is, geeft zich daar naar hartenlust aan over.
Ook heeft ze veel aandacht voor klankovereenkomst, soms voorspelbaar zoals in "voordat de lucht / zich donker sluit", dan weer te sterk zoals in "adem gaat // vergaat / laat achter / waar / leegte lengt / blijft duren" (deze regels zijn ook niet vrij van redundantie), maar af en toe ook verrassend zoals in "spreidt zich allengs / over de fjord / the Firth of Forth". Over het algemeen pakt de techniek goed uit, al was het maar als bindmiddel.
Nog weer een ander beproefd foefje, onmiskenbaar ontleend aan de Impressionisten, is het niet afmaken van zinnen hetgeen enerzijds vaagheid en onbenoembaarheid oproept —overeenkomend met de sleutelwoorden ‘mist’, ‘nevel’, ‘spreidt’, ‘tasten’— en anderzijds de lezer aanspoort even met consumeren te stoppen en zelf ook een bijdrage te leveren. Een treffende illustratie hiervan is: "soms laat het vluchtige / zich vangen / verstillen in een taal // om smeulend / in en onder woorden / schuil // in tekens / toevertrouwd / aan blad". Weliswaar komt de infinitief verderop alsnog aan bod, "te wachten" in dit geval, maar het gewenste effect is dan al bereikt.

Concluderend mag worden gezegd dat deze vierde bundel zowel appelleert aan de smaak en verwachtingen van het grote lezerspubliek, of wat daar tegenwoordig voor door moet gaan, als aan die van de onvergelijkbaar veel kleinere groep van ervaren poëzielezers die niks van literaire kant-en-klaarmaaltijden willen weten maar in elke strofe avontuur, experiment, kortom iets nieuws eisen. Feitelijk toont ‘akkers en zeevlam’ het dichtproces als hinkelen op twee benen die stevig tegen elkaar gehouden worden. In dit opzicht is het de grote verdienste van Storm van Leeuwen dat ze aan beide doelgroepen tegemoet komt zónder dat ze valt, zonder dat er breuklijnen in haar werk zijn te bespeuren. Dat ze zelf geen vaste plaats in wenst te nemen, moge verzinnebeeld blijken uit de slotregels van het gedicht 'Prevelingen': "...mompelt / een rivier verhalen // neemt ons / op waterwoorden mee // murmure van verlangen / en altijd passant zijn // van soms van het land zijn / en soms van de zee".
Daarmee is de cirkel weliswaar niet rond, net niet, maar ligt hij hopelijk nu al wel om de lezer van deze korte beschouwing.

PIEN STORM VAN LEEUWEN; ‘akkers en zeevlam’; 42 pagina’s; Uitgeverij Van Kemenade, Breda; 2014; ISBN: 978-90-71376-55-9; NUR: 306; Prijs: € 12,50.



Foto auteur: © Albert Hagenaars



Deze recensie werd eerder gepubliceerd in het tijdschrift Brabant Cultureel, jrg. 63, no. 2, april 2014 alsmede op onderstaande site:



www.alberthagenaars.nl

vrijdag 28 maart 2014

FRANS MINK - Bloemlezing



Foto: Frans de Looij, juni 1974


EEN VOLDRAGEN LEGAAT VAN SPEL EN PLEZIER

Bloemlezing uit het werk van Frans Mink (1950-2013)

Precies een jaar geleden, in dezelfde maand februari althans, overleed dichter en beeldend kunstenaar Frans Mink (1950) alsnog aan de gevolgen van een in de zomer van 2011 toegeslagen herseninfarct. Ter gelegenheid van zijn dus niet bereikte 64e verjaardag bracht de actieve, in poëzie gespecialiseerde uitgeverij Kleinood & Grootzeer een bloemlezing met een bondige keuze uit het oeuvre van Mink op de markt. De samenstelling was in handen van Bert Bevers, die tevens voor de inleiding zorgde.

Frans Mink werd geboren in Rotterdam, verhuisde in zijn jeugd naar het stadje Tholen maar bracht op een Tilburgs intermezzo na zijn hele arbeidzame bestaan door in Bergen op Zoom. Hij manifesteerde zich na een studie aan de kunstacademie in Breda eerst, eind 1972, als visueel artiest, met een solotentoonstelling in de al lang verdwenen galerie De Trap Op in het Bergse havenkwartier. Kort daarna verscheen zijn in eigen beheer gepubliceerde debuutbundel, 'Opruiming nu, 1,99', te koop aangeboden voor datzelfde bedrag in guldens. Titel en prijs zijn kenmerkend voor de humoristische, niet zelden ironische aanpak die Mink zou blijven gebruiken. Iets later was hij mede-oprichter van de landelijk opererende stichting Drukwerk in de Marge en de aanvankelijk regionaal gerichte poëzie-uitgeverij WEL.

Als auteur liet Mink vijftien titels na, waarvan ‘SpontaniTIJD’ alleen proza bevat, maar dan wel variërend van aforismen tot sprookjes en van moppen tot een ‘Grote Nietzschepuzzel’ à la Mondriaan! Sommige titels zijn op zich al waard om geciteerd te worden. Wat te denken van ‘.. -.- …. --- ..- …- .- -. ..- ’ waarschijnlijk de eerste poëzietitel in morse, en van ‘(Mijn)˄(Bril) afzetten en een blind vertrouwen hebben in de toekomst’ of van ‘Het vierendelen van Balthazar Gerards / in 4 delen /’?
Hoewel hij zich de laatste jaren lyrischer ging opstellen, vaak meer woorden nodig had, liet Bevers zich bij zijn keuze leiden door de meest karakteristieke teksten en die dateren, direct of indirect, uit de eerste helft van Minks carrière. Terecht haalt de samensteller in zijn inleiding de invloed van de tijdschriften Barbarber en Gard Sivik aan. Bovenal was Mink echter het prototype van de homo ludens, de spelende mens zoals die voorgestaan werd door met name de Cobra-beweging. Van enige drang naar heftige emotionele expressie of verbaal oproer was hij dan vreemd genoeg weer gespeend. Hoe ongecompliceerd hij zich ook wilde voordoen, een erfenis van zijn geboortestad wellicht, Mink droeg de nodige tegenstellingen in zich mee.

Zoals zijn jeugdwerk al aantoont, was hij veeleer een geestverwant van dichters als Cees Buddingh', Gerard Brands en K. Schippers dan een navolger. Zijn teksten lijken te worden aangeblazen door een mateloze verwondering om de schijnbaar aller-gewoonste zaken en gebeurtenissen en zeker ook door humor dus, variërend van milde ironie tot hilarische momenten. Met zijn vele optredens had hij in dat opzicht steevast succes. Ook is er vaak een filosofische verdieping. Behalve op woordgrappen was hij tuk op tegenstrijdigheden, bizarre wendingen in de dagelijkse realiteit en de al dan niet magische vervreemding die daar het gevolg van kan zijn, in even grote mate als waarin hij wars was van gewichtigdoenerij, prietpraat en elke vorm van elitarisme. In dezelfde lijn ligt zijn credo als uitgever: "Gedichtenbundels moet je verkopen als warme broodjes." Hierin betoonde hij zich de nuchtere zoon van een middenstander, van een slager in dit geval.




Foto: Albert Hagenaars, Middelburg 2005.


Zijn ongedurigheid, zijn behoefte aan het verbinden van ogenschijnlijk niets met elkaar te maken hebbende elementen uit de dagelijkse werkelijkheid deden hem als kunstenaar naar o.a. de collagetechniek grijpen en als auteur naar de ready made. Zijn teksten kennen mede daarom vaak totaal verschillende lettertypes in een en hetzelfde gedicht, om over het gebruik van leestekens maar te zwijgen. Ook van een kleur of twee, drie extra was hij niet vies. De zegging is meestal parlandistisch. Niet toevallig kunnen ze met evenveel recht als proza benoemd worden. Eén voorbeeld van zijn werkwijze:



TOPPUNT VAN COLLAGE
/gedicht om geld mee te verdienen/

Een collage maken
van dubbeltjes & kwartjes,
deze inlijsten & verkopen.

De ontvangen briefjes
van tien en vijfentwintig
verwerken
in een volgende collage.

Deze collage / ook / verkopen
& de ontvangen briefjes
van honderd
verwerken
in de volgende collage.

Deze collage / natuurlijk ook / verkopen
& de ontvangen briefjes
van duizend...



Dezelfde onrust plus zijn maling aan voorschriften (wat zijn interesse in Dada verklaart, hij vroeg bijvoorbeeld aandacht voor de activiteiten van Kurt Schwitters in Drachten) zorgde er ook voor dat nogal wat teksten ontsierd worden door taal- en typefouten, los dan nog van een soms door hem nagestreefde alternatieve spelling.






Bevers beperkte zich tot slechts 35 gedichten. De een zal enkele bepalende verzen missen, de ander concluderen dat sommige bijdragen beter achterwege waren gebleven zoals hier en daar een pastiche, dat houd je nu eenmaal bij elke selectie. Feit is dat de keuze een corpus heeft opgeleverd dat in elk geval in onze provincie door niemand anders dan Frans Mink gerealiseerd had kunnen worden. Laat Minks gemiddelde poëtische slagkracht niet al te veel deuken in de perceptie kunnen slaan, in z'n eentje introduceerde hij hier toch maar mooi de principes van uiteenlopende richtingen en stromingen als bovengenoemde, wat zijn activiteiten ook historisch van belang maakt. Minks meest intelligente (maar tegelijk argeloos overkomende) beelden en zinnen en hun immer frisse, prikkelende perspectief staan garant voor meer dan een handvol voetnoten in de overzichten van de toekomst. Zij vormen het legaat van wie hij ten volle heeft willen en kunnen zijn.

FRANS MINK; ‘Bloemlezing’; 44 pagina’s; Samenstelling Bert Bevers; Uitgeverij Kleinood & Grootzeer; 2013; Bergen op Zoom; ISBN 978-90-76644-68-4; € 16,00.



Bovenstaande recensie werd ongewijzigd eerder gepubliceerd in het blad Brabant Cultureel, jrg. 63, no. 1, februari 2014.


www.alberthagenaars.nl


zondag 2 februari 2014

JORIS IVEN - Shimizu




TOKYO ALS OEFENTERREIN VOOR ONTHECHTING

Albert Hagenaars over ‘Shimizu’ van Joris Iven

Het zou overdreven zijn ‘Shimizu’ van Joris Iven (1954) een bundel te noemen. Daarvoor bieden amper 8 pagina's gewoon te weinig kwantiteit. Toch bevat dit lange gedicht zoveel aanknopingspunten op verschillende gebieden, dat je er langer mee bezig kunt blijven dan met menige lijvige poëzie-uitgave. ‘Shimizu’ valt in dit opzicht te vergelijken met bijvoorbeeld ‘The Waste Land’ en ‘Awater’. Het parlando, dat vrijwel al Ivens poëzie kenmerkt, komt daar alvast mee overeen evenals het ontbreken van toeters en bellen in de beeldspraak, wat uiteraard nog geen garantie voor geslaagde poëzie oplevert.
Wat op het eerste gezicht een caleidoscopische beschrijving van de internationale handelsmetropool Tokyo lijkt, mag ook een kennismaking met de Japanse cultuur worden genoemd, of een onderzoek naar de eigen identiteit in een nooit voltooid scheppingsverhaal of, met nog meer recht, een spirituele queeste naar verlossing, naar bevrijding.





De titel, een samenstelling van shi (bron) en mizu (water), wordt verklaard door Nicole Van Overstraeten, die voor een lange en buitengewoon boeiende inleiding zorgde. Natuurlijk moet elk gedicht voor zich spreken en elke werkelijk geïnteresseerde lezer kan ook zelf achtergrondinformatie vergaren maar in dit geval garandeert Van Overstraetens vakkundig gevlochten relaas, niet voor niets is zij zelf ook dichter, een meerwaarde. Als adviseur van het NeTaGe, het Nederlandstalig Tanka Genootschap, vertegenwoordigt zij bovendien een stukje van de Japanse literaire traditie.
‘Shimizu’, symbolisch ook te duiden als zuiver water, verwijst naar het belang van het water voor het gebied waar Edo (delta) ontstond en groeide, de plaats die in 1868 Tokyo genoemd werd, ofwel Oostelijke Hoofdstad. De rivieren voeren nog steeds bergwater naar de stad. Iven maakt dankbaar gebruik van een van de vele tegenstellingen in zijn gedicht: puur water, materie van oorsprong, versus de door de enorme samengebalde bevolking vervuilde dagelijkse realiteit. Hij rekent daar ook de mentale verloedering toe:


Zeker, op de beurs schreeuwen zij om meer,
de mannen,
en in de ondergrondse doorbladeren zij pornostrips
met felkleurige, schreeuwlelijke figuren,
heerszuchtig en kwellend.
Hun wang rust kalm in hun hand,
maar in hun gedachten gaat het om liefde en geld.
Hun ziel is een eenzame hoer in de uitgespreide vlakte
van de Tana-rivier en de Koma-rivier
.


Maar net zoals in de Japanse cultuur, gevoed door Zen, begrippen en ervaringen nogal eens in elkaars tegendeel verkeren, in elkaar overgaan, laat Iven hoeren in nimfen veranderen en omgekeerd, mensen in sterren, een bergmeisje in sneeuw, en het moderne stratenplan in de voormalige velden, die getuige de merkwaardig hevige plantenbloei midden in de stad, nog steeds doorwerken.
En, religieus gesproken, niet alleen de Japanse uitwerking van het Boeddhisme is actief, ook zijn er diverse fascinerende beelden die nog zinvoller worden als ze bijvoorbeeld gekoppeld worden aan Shinto, het oudst bekende Japanse geloofssysteem dat, simpel gezegd, grotendeels op natuurwaarnemingen en -vertalingen berust. Geen toeval dus dat Iven o.a. de zonnegodin Amaterasu opvoert, dochter van de oergod Izanami en heerseres de Hoge Hemelse Vlakten, en, verderop, broer Tsukiyomi, god van de maan.





Hij introduceert ook meermaals een bejaarde dichter en natuurlijk kan hij dat net zo goed zelf zijn. Hier volgt in elk geval een fraaie overgang, een suggestief voorbeeld tegelijk ook van de manier waarop het hoofdmotief water vermomd in andere vormen aan bod komt, in dit geval slijk dat enerzijds de geldwereld reflecteert en anderzijds twee tegengestelden verenigt:


Ik zet mijn weg voort tussen het gemurmel
langs de Tama-rivier, de Koma-rivier,
de rugwind die over de vlakte danst,
opgejaagd door de adder in het slijk.

Aan de afvaart van de veerboot zit een oude dichter
op de houten kade,
zijn gezicht in de schaduw van een hoofddeksel
van bamboebladeren.
Hij denkt zijn verschijning in het oeverriet
en omarmt in zijn regels het water,
de onthechting van een geduldig trage stroming
.


Het is niet moeilijk, gezien de vele spirituele openingen, van dit fragment te genieten. Als Iven zich al vereenzelvigt met een Japanse collega of een paradigmatisch personage, legt hij tevens een verband met zijn eigen bestemming want verderop heet het:


De bejaarde dichter bij de veerpont
staat op en verlaat de kade.
Is hij misschien een reïncarnatie van de fundamentele lichtheid
van de geest?



Omdat ook het slot voor meerdere interpretaties vatbaar is, sluiten die regels, uiteraard weer behoorlijk nat, bovenstaande mogelijke opzet van de dichter zeker niet uit:


Auto's doen nu het water opspatten
en slaan het over de trottoirs.
Passanten mijden het en redden hun pak.
Riviergolven in deze prachtige stad?
Jazeker! Herinner je het landschap onder het stratenplan,
een vluchtige bloem die plots opschiet tussen de mensen...
En zet dan je weg voort!
Op vrije dagen hoor je immers in Koto-ku
in de tred van winkelende vrouwen nog een vreemde cadans
.


Voor wie hieraan mocht twijfelen nog een toegift uit het hart van deze tekst die het gistend veile Tokyo tot een oefenterrein voor onthechting maakt:


Langs de Tama-rivier en de Koma-rivier
hoor je van pelgrims de zachte voetstappen,
de dreun van de eenzelvige cadans.
Het doel van de tocht is een einde zonder verlangen
.


Wat zou de lezer die door deze thematiek aangesproken wordt nu nog meer kunnen verlangen dan het aanschaffen van deze dunne en o zo rijke uitgave om er een eigen route in uit te stippelen?



JORIS IVEN; ‘Shimizu’; 28 pagina’s; Demer Uitgeverij; Juni 2013; Foto auteur: Hannie Rouweler; ISBN: 978-1-291-15740-6; NUR: 306; Prijs: € 15,00.



www.alberthagenaars.nl

woensdag 1 januari 2014

JAN RUWARD - Monalisa Blues




DE VEELKANTIGHEID VAN JAN RUWARD

Albert Hagenaars over Monalisa Blues

Wie van vaart houdt in proza, is bij Jan Ruward (wiens pseudoniem ik niet wil onthullen) aan het juiste adres. Deze in 1948 geboren Bredase auteur debuteerde in 2001 met de verhalenbundel ‘Het schot in de roos’ en publiceerde in 2004 ‘Intermezzo’, eveneens verhalen. Van elk boek kon ik maar één recensie vinden. Toen ik met de verhalen van ‘Monalisa Blues’ bezig was, herkende ik de opmerkingen in beide, elkaar deels overlappende, besprekingen meteen, zodat geconcludeerd mag worden dat genre, stijl en thematiek niet of nauwelijks veranderd zijn.

‘Monalisa Blues’ bestaat opnieuw uit drie delen, in dit geval van respectievelijk zes, vier en zes prozaschetsen. De titel is ontleend aan een songtekst van Bob Dylan: "But Mona Lisa must have had / the Highway Blues / you can tell / by the way she smiled". Het staat als motto boven de gelijknamige eerste bijdrage en terecht want het zet de toon van zowel dit langste verhaal (10 pagina's) als de bundel in totaal (nog geen 50). Verwijzingen naar haastig leven, kunst en muziek komen namelijk ook later terug. De tweede schets heet bijvoorbeeld ‘Spiegelblues’. De glimlach zorgt dan voor een contrapunt, in elk geval een punt want geenszins toevallig eindigen de laatste regels van het slotstuk met “de pianoblues van Salvador Dali" en een "Bella Graziëlla" (past het trema wel in deze Italiaanse setting?).

Centraal staan relaties tussen mannen en vrouwen. Die worden opgezadeld met enerzijds communicatieproblemen en begripsstoornissen en anderzijds aantrekkingskracht en seks, veel seks. Daarnaast richt Ruward zich op kunst, religie of op z'n minst spiritualiteit, internationale en ook interculturele verbindingen en allerhande verplaatsingen. Een voorbeeld van enkele van deze elementen, reizen en kunst, uit de mond van een Leonardo genaamd personage:
Het wordt tijd om te gaan reizen, ze wil niet mee, niet naar Vlissingen, naar de Boulevard, haar geboorteplaats, mag ik haar Michiel de Ruyter zijn? Ik ben geen zeeman hoewel ik nooit zeeziek was noch op de Noordzee noch op de Middellandse Zee, toen ik het roer overnam ver van de kustlijn, ik zou zelfs het Paaseiland kunnen bevaren. Straks ga ik met de auto naar Parijs, naar het Louvre, eerst naar de impressionisten en daarna naar de Mona Lisa. Dan pas kan ik haar portret maken in de beste traditie van de schilderkunst.”
Deze voor Ruwards doen nog rustige alinea, laat zijn werkwijze zien. De eerste zin bestaat uit vijf stukken die verbanden aangaan die allesbehalve helder en logisch zijn. Het voordeel daarvan is dat de lezer gedwongen wordt na te denken, keuzes te maken. Bedoelt de schrijver dat de dame in kwestie ergens in Vlissingen geboren is of in die stad precies op de Boulevard? De naam van de straat doet hem denken aan het beeld dat daar staat van de bekende admiraal en dit levert dan weer de mogelijkheid op zeeman te worden hetgeen overigens meteen met maar liefst vier negatieve woorden ontkend wordt wat hem er niet van weerhoudt alsnog het roer op de Middellandse Zee over te nemen en het Paaseiland te bevaren en in de erop volgende zin met de auto naar Parijs te koersen om daar een schilderstijl te zien en La Giaconda te bezoeken teneinde een goed portret te kunnen maken. Wat doen die impressionisten daar? Nadenkend stel je vast dat alvast één overeenkomst tussen die schilders en Da Vinci natuurlijk gebrek aan scherpte is, dankzij enerzijds het toetsgewijs aanbrengen van kleuren en anderzijds het gebruik van sfumato. Is dat een verwijzing naar wat hij zelf als auteur voorstaat?
Grammaticaal onjuist is natuurlijk de verbinding van een bevestigende zin en een vraag. Als dat echter een sterkere beleving oplevert dan het naleven van de regeltjes, is het artistiek verantwoord. Hoe dan ook heeft deze alinea vaart, je blijft lezen, je springt van alinea naar alinea.

De verbinding van seks en geloof, samenkomend in het perspectief van ene Valérie, is van hetzelfde laken een pak: “Die eerste keer wist ik me geen raad, wist niet wat te doen. We gingen naar boven en ik zag de haren op zijn benen, haren overal. Hij was pastoor en vertelde me gepassioneerd over zijn katholieke Kerk. Deze avond was alles anders, voor hem, en ook voor mij, als eerste klant. Toen hij binnenkwam in de Woeste Hoeve was ik nerveus want ik wist nog niks van hoe of wat en om hem te behagen toonde ik hem mijn volle ronde borsten. Zijn penis was stijf en groot, daar houd ik van en snel komen, zo was ik het gewend en goed op je polshorloge kijken, hadden ze nog gezegd. Time is money, wat was ik naïef voor de betaalde liefde. Hij was verrukt, ik was in verwarring, oh, waar was ik gebleven met mezelf.”
Kon je bij het eerste fragment nog twijfels hebben over de zuiverheid van de taalbehandeling, in dit tweede zijn duidelijk verschillende feilen aan te wijzen, fouten die op zich geen extra stuwkracht hebben. Stilistisch zwak is de overlapping in de eerste regel. Er moet geen hoofdletter in “Kerk” maar als je daar toch voor kiest zou je er dan ook geen willen voor “katholieke” wat op zich overigens een pleonasme is omdat we al net lazen dat er een pastoor actief is. Het is zonder meer zwak om “als eerste klant” achter “mij” te zetten in plaats van achter “hem”. Volle en ronde borsten overlappen elkaar helemaal. Stijf en groot bij penis doen dat niet maar vormen evenmin een zinvol duo. Tenslotte is er opnieuw overbodigheid bij “ik was in verwarring” en “waar was ik gebleven met mezelf”, zeker in combinatie met de eerste regel van dit fragment. Dat zijn opvallend veel slordigheden in zo´n kort stukje tekst. Als zich hier een ervaren redacteur over gebogen had, was er veel treffender proza ontstaan, sneller nog en daar moet Ruward het toch van hebben.

Zijn beschrijvingen blijven oppervlakkig en hebben al gauw last van clichés. Wat te denken van het volgende vrouwbeeld, waarmee het boek opent? “Zij is mooi, aantrekkelijk en sexy, haar ogen weerspiegelen wie ze is, uitdagend en nieuwsgierig, met haar prachtige zwart lang haar, haar volle rondingen, haar tuitende lippen.” Niets wijst erop dat dit als een parodie bedoeld is. Integendeel, ook andere, soortgelijke, odes zijn plat als een bankbiljet.

Ruward is ook in de weer met ‘namedropping’. Niet voor niets verwijst hij naar Kerouac. Het laten hagelen van namen kán goed werken in een verhaal maar in Ruwards teksten blijven ze zonder relevante betekenis, ontberen ze verdieping (die hij trouwens wel suggereert door bepaalde figuren op onverwachte plaatsen terug te laten komen). Een greep: Becket, Godot, Poe, Macbeth, Dali, Joyce, Ulysses, Magritte, Narcissus en Stockhausen, die bestoven worden door allerhande plaatsnamen, o.a. Pakistan, Mexico, Milaan en Turijn en dat alles in het bestek van een beperkt aantal pagina’s! Verwachtingen worden niet ingelost, het is te gemakkelijk.

Positiever werkt een onverhoeds opduikend gedicht, getiteld ‘Dichter bij de ziel’, waaruit de volgende regels: “Ik steek mijn hand / in de rivier // en voel het begin van iets / tegelijkertijd het eind / van niets // in dit wonderlijk lang / gespleten heden.// Geef me je schaduw // en ik laat je dichterbij / mijn ziel zien.” Los van het poëtische gehalte van deze regels, biedt de tekst, de vierde van deel 1 een welkome afwisseling met het slordige proza.




Het middenluik is korter en bevat vier afbeeldingen in zwart-wit, elk gevolgd door een kort stukje proza, getiteld ‘Metromania’ 1 t/m 4, waarin een Jozef K. opduikt en, in het verlengde daarvan Kafka’s Josef K. natuurlijk. Ruward verplaatst zijn speler qua locatie van een Midden-Europese rechtbank naar het perron van Pennsylvania Avenue, qua tijd naar 22 november 1893 (de datum staat op een metrokaartje), qua beroep van Bankprokurist naar bediende in een boekhandel en qua situatie van Der Prozess naar een Amerikaanse Verwandlung. Van de datum weet ik niet méér dan dat het de geboortedag van auto-ontwerper Harley J. Earl is en die van Masahary Tanigucihi, die ‘The Law of Mind in Action’ in het Japans vertaalde. En kijk, hier laat je je dan weer door Ruward in het zog van namen trekken zonder dat dit vooralsnog, ondanks zoekwerk op internet, tot een bevredigende duiding leidt. De verwijzingen kunnen het best gezien worden als pijltjes naar het werk van door Ruward bewonderde kunstenaars. In deze weinige regels zijn dat Joyce, Chaucer, Eliot, Lawrence en Donleavy. Daar staat dan weer tegenover dat Ruwards onderkoelde en soms absurde humor zalvend werkt. Een voorbeeld: “Terwijl hij een sigaret uit zijn morsige pakje neemt, bedenkt hij welk een wereld zich had geopenbaard wanneer hij de jonge vrouw had benaderd; niet hardhandig of zachtmoedig maar via de weg van de literatuur, de wereldliteratuur, hij zou zijn Alfa Romeo laten zien…” Een nuancering in grammaticale tijd ware beter geweest, bijvoorbeeld: “…bedenkt hij welk een wereld zich geopenbaard zou hebben, als hij de jonge vrouw had benaderd.” Nu staat er in zijn woorden feitelijk dat het allebei is gebeurd: het openbaren van een wereld én het benaderen van de vrouw maar valt het voegwoord niet met deze aanname samen.

Het derde deel kent weer prozafragmenten maar deze zijn bonter en tegelijk ijler dan die van deel 1. We vinden hier werkelijk de meest uiteenlopende zaken. Zo is er een autorit met een bijna fataal ongeluk die in Barcelona eindigt en de lezer enkele regels lager meevoert naar Monaco, Mars en Rome, wat tevens goed is voor het opduiken van de namen Aranjuez, Gaudi, Dali en Picasso.
Belangrijker is dat Ruward hier zijn credo belijdt: “Alles wat er toe doet in de kunst: overleven door te schrijven en te schilderen. Er is geen andere remedie dan de kunst. Leven, dood en zingeving, dat is al zo sedert ik aan de tequila ben. Er is hoop voor de ongelovigen en dronken vrijdenkers.” Interessant ook is dat Ruward het woord zingeving noemt, juist het punt waar hij, in dit boek althans, niet aan uitkomt. Gelukkig staat er ook een treffende, als motto gebruikte haiku van Basho: “Botten in het veld / de wind snijdt dwars door me heen / als ik daar aan denk.”
Verder is er een interview met een spin, een met strofen opgemaakt prozastukje en de slotvertelling die een schilderij beschrijft dat weer een ander verhaal oplevert. Ruward haalt een niet originele maar wel degelijk effectieve truc uit door beide verhalen samen te laten vallen in het einde, daar van schrijver in personage te veranderen ―een aardige parallellie met zijn Jozef K.― en af te ronden met de aankondiging van zijn eigen schilderij, namelijk van: “Bella Graziëlla en de surrealistische figuratie, de handdruk van haar Liefde.
Dit geslaagde einde brengt de lezer weer terug naar de allereerste bijdrage, waar de ik-figuur uitspreekt een vrouw te willen schilderen, en zelfs de ziel!

Ruward heeft onmiskenbaar talent maar is, nog steeds, een ruwe diamant. Het wordt hoog tijd dat die geslepen wordt en wel zonder aan eigenheid en flonkeringen in te boeten.


JAN RUWARD; ‘Monalisa Blues’; 54 pagina’s; Uitgeverij Free Musketeers, 2013; ISBN 9789048429707; € 13,95.

Deze recensie werd eerder gepubliceerd, in een kortere versie, in het tijdschrift Brabant Cultureel, jrg. 62, no. 4, december 2013 alsmede op onderstaande site:



www.alberthagenaars.nl