zaterdag 27 mei 2017

ALAIN DELMOTTE - Warhoofds gekkenwerk



Foto: Nnb


EEN ODE AAN HET POETISCH VERNUFT

Albert Hagenaars over 'Warhoofds gekkenwerk'

Er bestaan verschillende meningen over wat poëtisch proza zou mogen heten of hoe prozagedichten beschreven kunnen worden. Meestal wordt gewezen op het belang van een bovengemiddelde frequentie van beeldspraak en een sterk aangezet ritme, lees de muzikaliteit, waarmee het amfibische genre zich onderscheidt van korte verhalen. Het ontbreken van formele kenmerken als strofen wijst dan op het verschil met poëzie.

Alain Delmotte (1957, Kortrijk), die al meer met dit bijltje heeft gehakt, kiest voor de benaming prozagedichten maar voegt er "prozastukken, schetsen, notities, improvisaties, clowneske ingrepen, satire, hyperbolen" aan toe als ondertitel van zijn bundel 'Warhoofds gekkenwerk'. Los van het feit dat deze elementen met een zekere tolerantie ook allemaal wel gezien kunnen worden in zijn nieuwe boek, geeft de opsomming tevens aan dat we vooral niet te zwaar moeten tillen aan een definiëring. Het gaat om de beleving van de leespraktijk maar die staat gapend wijd open op het leven buiten boek en scherm en mag zich versterkt weten door de verwijzing in het dankwoord naar Buster Keaton (vaudeville-artiest, comedian en regisseur), Henri Michaux (auteur en schilder met een grote aandacht voor psychische experimenten) en Clément Rosset (filosoof en auteur, die zich richtte op o.a. de verhouding tussen werkelijkheid en illusie).

De ondertitel suggereert een ratjetoe aan tekstmateriaal maar de opzet van het boek is alvast opmerkelijk vormvast. Delmotte serveert 9 cycli of, afhankelijk van het standpunt dat je wilt innemen, 9 hoofdstukken. Die zijn onderverdeeld in genummerde strofen. Of alinea's. De kortste tellen slechts enkele woorden, de langste vier regels, behalve in het slotdeel. Meestal betreft het vier tot 10 alinea's, in één geval 19 en in het slotstuk weet je dat niet zeker omdat hier ineens geen nummering meer is en de tekst doorloopt op de volgende pagina. Dit laatste deel onderscheidt zich ook nog eens omdat hier de langste alinea's staan, met een maximum van 7 regels. Een finale!

Elk bundeldeel heeft een titel en steevast een ondertitel. Deel 1 heet bijvoorbeeld ‘Petit portrait à propos d'une poire’. Er onder staat ‘Warhoofd schetst zijn zelfportret’. Het laatste deel is getiteld ‘Vandaag doet ons dat nog geen kwaad’ gevolgd door ‘Warhoofd improviseert een toespraak en heft zonder morsen het glas’. In elke ondertitel is sprake van een personage Warhoofd, wat verwijst naar onvermogen of onwil om logisch te opereren. Dat er 9 delen zijn heeft wellicht te maken met de vierde titel: ‘Negen levens - Warhoofd probeert die alle uit’. Dan is de mogelijkheid niet denkbeeldig dat Delmotte hier naar zichzelf of naar de dichter in hem verwijst.

De eerste drie alinea's van het openingsdeel luiden als volgt:


1
Hij is bedreven in het nooit au sérieux worden genomen. Dat er met hem geen rekening wordt gehouden, hij smeekt erom, het is zijn zegen.

Van opzij worden geschoven maakt hij een zaak. Plichtsgetrouw behoort zich laten bedotten tot zijn dagelijkse taken.

Koste wat kost kickt hij op zich uitgerangeerd voelen.

Kunstzinnig en deskundig in gekkenwerk trekt hij weloverwogen meestal aan het kortste eind.

Dat hij vandaag alweer geen gehoor kon vinden, maakt zijn dag goed. Maakt zijn dag af.



2
Stoten onder de gordel: voor geen geld in de wereld zou hij die willen missen.

Blunders, flaters, zijn mond voorbijpraten, ondoordachte uitlatingen, allemaal maakt het, slim bedacht, deel uit van zijn tactisch arsenaal.

Voor de voeten worden gelopen, is hem een niet te verwoorden zaligheid: hij tekent ervoor.

Noodlot houdt hem bezig. De worp, de gril, de meewarige lol trekt hem daarin aan.

Langs de weg die hij gaat, trapt hij in elke drol. Hij vermoedt dat het de zijne zijn.

Dankbaar is hij voor elke tegenslag en voor wie hem gretig kan manipuleren.



3
Hij is schatrijk aan sores.

Boegeroep zijn richting uit? Hij geeft het toe - een genoegen.

Hij troost zich vaak met de gedachte aan een tegen hem gericht complot.



Duidelijk is dat Delmotte zich niet veel gelegen laat liggen aan lyrische hulpmiddelen, rijm bijvoorbeeld of harmonieuze ritme-patronen. Waar wel klankovereenkomst is, doet dat eerder als toeval aan, zoals in "zijne zijn" of de herhaalde oe-klanken in de voorlaatste regel. Hoe knap de uitgave technisch ook in elkaar is gestoken, het toeval zou natuurlijk niet mogen ontbreken in het rijtje van de ondertitel want het is één van de stutten van het absurde. De vraag is wel in welke mate de doorgaans alles controlerende Delmotte toeval wil toelaten.
Ook sfeer, nog zorgvuldig gezocht in de eerste probeersels van één van de grondleggers van het genre, 'Le Spleen de Paris' van Charles Baudelaire, lijkt niet te zijn beoogd. Toch zal de lezer moeten beamen dat het hier niet zomaar om proza gaat. Daarvoor zijn allereerst de vele witregels en het ontbreken van een causale samenhang en chronologie tussen de mededelingen verantwoordelijk. Daarnaast valt de voorkeur voor inversie op. Tenslotte spant Delmotte vaak passieve zinnen voor z’n karretje, in de eerste drie zinnen al drie maal!







In de beschrijving van het hij-personage vinden de handelingen simultaan plaats, er is nauwelijks ontwikkeling, wat juist wel een kenmerk is van wat we onder gangbaar proza verstaan. De nadruk komt te liggen op het zijn en, gekoppeld aan de lijdende vorm, op het ondergaan. Maar pas op, ook dit wordt gebruikt, Warhoofd waarschuwt niet voor niets: “allemaal maakt het, slim bedacht, deel uit van zijn tactisch arsenaal.”

Het woord inversie viel al. Die komt bij Delmotte vaak niet natuurlijk over maar gezocht, zelfs doorwrocht zoals in “Van opzij worden geschoven maakt hij een zaak”. Zo'n zin leest niet fijn, integendeel. De schrijver is er dan ook niet op uit om de lezer te behagen, in een aangenaam badje van herkenning te leggen, maar om te ontregelen, de lezer te dwingen na te denken, te herlezen, door het karige gebruik van signaalwoorden te prikkelen tot het aangaan van persoonlijke verbanden, kortom om op avontuur te gaan. Geen dankbaarder perspectief voor zo'n aanpak dan dat van een warhoofd, een nar, iemand die buiten de dagelijkse werkelijkheid gehouden wordt, en die dat, autonoom als hij moet zijn, "een zegen" vindt, het op zijn eigen manier exploiteert, zoals elke dichter moet doen. Delmotte gaat ver in het determineren van zijn hoofdpersoon. Het hele openingsdeel is er alvast aan gewijd.

Deel twee is getooid met de vermakelijke titels ‘Zeg eens wonden’ – ‘Warhoofds vragen voor een interview met de wonden’. Hierin gaat hij over op het subject jullie, dat veelvuldig wordt gebruikt. Hier ook veranderen de mededelingen in vraagzinnen. De openingsstrofe luidt:



Zeg eens wonden: is pijn jullie tot bezieling? Is pijn jullie bewustzijn? Of zijn jullie het bewustzijn van pijn? Want, ja, hebben jullie wel weet van jullie bestaan als wonden?



In de verantwoording achterin staat opgenomen dat dit deel z'n aanleiding vond in 'De kruisiging' van Matthias Grünewalde (ca 1470 – 1528), een retabel dat tegenwoordig in het Unterlinden-museum in Colmar is te vinden.
We zien dus dat Warhoofd weliswaar wonden aanspreekt maar door het wegvallen van de aanhef in het vervolg voelen de lezers zich, al is het dan misschien onderhuids, steeds zélf aangesproken. Ze worden gaandeweg wonden, of beschadigde personages. Ze zullen in de hagel van vragen deels bewust en deels onbewust toch antwoorden proberen te vinden. Wat te zeggen van:



Vormen jullie eensgezind een welwillende gemeenschap van kwaadwilligheid? Beconcurreren jullie elkaar? En willen jullie allemaal de diepste zijn?

Planten jullie je voort? Planten jullie je in iemands kinderen voort? Of zijn jullie wat iemand nalaat? Wat iemand bij zijn aanvang erft?

Legt iemand jullie een limiet op? Of zoeken jullie al naargelang de omstandigheden zelf de limiet uit? Of zijn jullie datgene wat in de limiet is bereikt?




Ik vroeg me aanvankelijk af of het aanwenden van een enkelvoudige aanspreektitel, jij of u of eventueel gij, niet directer en daarmee effectiever was geweest maar dat zou afbreuk doen aan de veelvuldigheid van de soorten schade. Daarnaast vervalt dan het gesuggereerde belang van het sociale handelen, de spanning tussen het individu en de gemeenschap. In dit opzicht ontpopt Delmotte zich als een cultuurcriticus. Dit is een geschikt moment om te wijzen op de veel voorkomende toepassing van het wederkerende voornaamwoord 'zich', de woordsoort par excellence voor reflectie.

Deel 3 bevat geen enkele vraagzin meer. Noch een aanhef, óf die is paradigmatisch geworden: wie het schoentje past, trekke het aan. Onderstaand fragment past wonderwel bij deze veronderstelling:



Voor wie ernaar op zoek mocht zijn: van een handvol tirannen werden in vrieskamers zaadcellen vergaard. Beschikbaar zijn eicellen van zowel Medusa als Medea.

Wie in vitro een en ander weet te combineren: succes ermee
.



Zo kent elk deel weer andere uitgangspunten, en deels ook stijleigenaardigheden. Allemaal bij elkaar genomen vormen ze een heterogeen geheel van een onderzoek naar de staat van zijn van de mens, van de groep, van de maatschappij.

Alain Delmotte heeft niettegenstaande zijn humor, variërend van lichte spot tot absurdisme, niet bepaald een vrolijke bundel samengesteld. De wereld om ons heen is dan ook niet bepaald een Cocagne. Net als andere kunstdisciplines is het de poëzie evenwel gegeven om met een dergelijk uitgangspunt een domein te creëren waarin de lezer of luisteraar de positieve sensatie van het ontdekken kan ondergaan, tal van Aha-erlebnissen omzetten, in zichzelf een Keaton of Rosset of, met evenveel geldigheid, een Delmotte ontwaren.

Zoveel is helder, ‘Warhoofds gekkenwerk’ is een originele en, gezien o.a. Delmottes soortgelijke publicaties, ook authentiek overkomende bundel. Niemand schrijft als hij. Oorspronkelijk werk is dan wel per definitie interessant maar niet per definitie literair geslaagd. In dit geval hoeft over de kwaliteit echter geen twijfel te bestaan. Daarvoor zijn er teveel factoren die in Delmottes voordeel werken. Ik noem: de inzet, de uitvoering, de vasthoudendheid en, door dit alles heen, het vernuft. Ja, ‘Warhoofds gekkenwerk’ kun je ook een ode aan het poëtisch vernuft noemen. Bij deze!



Alain Delmotte, Warhoofds gekkenwerk; Uitgave: Stanza; 2017; 64 pp; ISBN: 978-94-90401-34-4



Klik hier voor de recensie van Dirk De Geest

Klik hier voor de recensie van Erick Kila

Klik hier voor de recensie van Hans Puper


Zie ook:
Frozen Poets - Beelden, graven en andere sporen van dichters

Nederlandstalige gedichten in Indonesische vertaling

Zie voor ruim 1100 recensies, lang en kort, ook de rubriek KRITIEKEN op www.alberthagenaars.nl



zaterdag 18 maart 2017

PAUL VERLAINE - Biblio-sonnets



Foto: Willem Witsen, 1892.


IRONISCHE PASSIE VOOR BOEKEN

De Franse dichter Paul Verlaine kreeg aan het eind van de 19e eeuw een opdracht om van te smullen: het schrijven van een cyclus gedichten over bibliofilie. Frappant was dat hij zelf weinig waarde hechtte aan papieren uitgaven, het grootste deel van z’n leven nauwelijks boeken en bundels bezat. Dat zal er mede de reden van zijn geweest dat hij het onderwerp met meer ironie benaderde dan menig liefhebber lief was. Dat garandeerde een spanningsveld waar vertaler Martin Hulsenboom zijn talent op beproefde.

Door Albert Hagenaars


"De trein zet zich opnieuw in beweging en voorgoed rijden we het rijk binnen van Hare jonge Majesteit koningin Wilhelmina, eerste van die naam. // …ik ging voor het raam staan. Mens, hoe anders waren ze geworden die vergezichten! Een eindeloze bebloede, vergulde uitgestrektheid water, even vergroend door de laatste inspanning van de zonsondergang, lag onbeweeglijk voor me, met zwarte zeilen van nauwelijks bewegende boten in het groeiende donker en de neerslaande schemernevels. Dit aan de linkerkant. Rechts hetzelfde schouwspel. Een eindeloze ijzeren brug, waar de trein langzaam over reed met regelmatig geluid, machtig bijna, precies door de regelmaat in die macht...”

Met deze in 1978 door Karel Jonckheere vertaalde regels uit 'Quinze jours en Hollande' beschreef Paul Verlaine (1844 - 1896) zijn passage door Noord-Brabant, tot en met de brug bij Moerdijk. Hij kwam op uitnodiging van de voormannen van De Nieuwe Gids een paar weken naar Nederland om conferenties in Den Haag, Leiden en Amsterdam te geven. Behalve bovengenoemd boek wijdde hij ook enkele verzen aan het bezoek. Het was zijn laatste reis naar een hem onbekend land. Er volgde nog wel een trip naar Engeland, waar hij eerder had gewoond en gewerkt. Niet lang hierna boog hij zich over zijn laatste gedichten: de 'Biblio-Sonnets', die door Martin Hulsenboom onlangs in het Nederlands werden vertaald. Deze bestelde verzen over het onderwerp bibliofilie vormen het sluitstuk van een literair traject dat ondanks de korte levensduur van de maker ruim duizend gedichten telt!

Toen hij in 1866 debuteerde met 'Poèmes Saturniens', veroorzaakte die publicatie nauwelijks een rimpeling in de vijver van de Franse poëzie, en die werd dan nog vooral opgemerkt door collega-dichters. Toch bleek het achteraf een belangrijk moment. Verlaine was namelijk één van de eersten die allerlei effecten opnam die je tot het Impressionisme mag rekenen zoals: uitzonderingen op de regels van de metrumtechniek; onverwachte eindrijmen; sferische beschrijvingen; een grote rol voor de suggestie. Enkele jaren later werden ze verweven in een aantal van de beste gedichten van de Franse literatuur. Ze vormen de basis van de faam die hij aan het eind van zijn leven nog mocht ervaren.

De 'Biblio-Sonnets' hadden 24 stuks moeten tellen. De dood van Verlaine beperkte de reeks tot dertien overgeleverde teksten. Hulsenbooms vertaling is pas de vierde; Ed Schilders noemt een Tsjechische (al uit 1932), een Portugees-Braziliaanse (2010) en een Italiaanse (2015). Voor zover mij bekend vertaalde niemand één of meerdere gedichten uit de reeks in het Nederlands, ook niet Raf Tehuan in 'Paul Verlaine - Poète Maudit' (1974) en evenmin Peter Verstegen in 'Honderd Gedichten' (2014), om maar enkele vertalers te noemen die een persoonlijke keuze uit het oeuvre in boekvorm publiceerden. Dat is merkwaardig want Verlaine produceerde dan wel opvallend veel broddelwerk, vaak uit geldgebrek, maar de 'Biblio-Sonnets' behoren daar niet toe, al kunnen ze ook geen aanspraak maken op alleen lof.






Hulsenboom heeft gekozen voor een procédé waarin met name de effecten goed in het Nederlands overkomen. Hij volgt Verlaine zover mogelijk in zijn rijmschema's maar niet ten koste van de natuurlijke zegging. Zo blijft de opzet van abba - abba - ccd - ede van het openingsgedicht Bibliophilie intact maar wordt het stramien abba- abba - cdd - cee van het volgende gedicht, Bibliomanie, in de Nederlandse versie veranderd in abba - cddc - eff - egg. De vrijheid die Hulsenboom zich gunt is waarschijnlijk het resultaat van de keuze die Verlaine maakte om de a-woorden op één na op te hangen aan participia: ‘fallu’, ‘élu’, (poilu) en ‘relu’. In het Nederlands heb je nu eenmaal niet de mogelijkheid met deelwoorden die scherpte te halen. Alleen degene die op ---an eindigen komen dankzij het accent qua assonantie in de buurt maar ze missen toch evenzeer de kracht van het origineel. In dit geval heeft Hulsenboom terecht gemeend het effect te moeten evenaren met woorden als ‘punt’ en ‘kunt’, ‘smart’ en ‘bard’.


BIBLIOMANIE

Lire n'est rien: faut avoir lu; faut; l'a fallu!
Pour que si vous lisez dans les livres, qu'honore
La Reliure gaie ou sombre, que décore
Encore un blason fier ou tendre au choix élu,

Pourriez, hélas! contaminer d'un doigt poilu
D'amateur brut le vélin noble que, sonore
Abstraitement, la gloire emplit, glaive ou mandore,
D'un grand héros ou d'un poète très... relu!

C'est vrai qu'étant à la fleur de votre bel âge,
Vous auriez tort -quand l'Amour vous laisserait cois
Un instant - de ne pas lire, - tels autrefois

Nous! - les exploits et les beaux vers, quittes, hommage
Suprême, à vénérer, dès dûment reliés,
Leur majesté, leur force et... leurs dos repliés!



Met niet minder lexicale vreugde trekt Hulsenboom een gelijkwaardige Nederlandse variant uit zijn vertalershoed:



BIBLIOMANIE

Niks lezen! Uitgelezen, klaar met lezen, punt!
Want als u werken leest, waaraan de Boekband eer
Bewijst, modest of bont, gestempeld met een teer
Of trots blazoen van excellente klasse, kunt

U met een onvervaarde vinger -tot uw smart! –
Het nobele velijn bezoedelen dat, schier
Melodisch is gedecoreerd met zwaard of lier:
De glorie van een held of vaak... herlezen bard!

U zou waarachtig dwalen als u in uw gulden
Jaren - nu en dan van Eros' vuur bevrijd –
Zich niet verdiepte -zoals wij in vroeger tijd -

In epos en lyriek, voldaan om - hoogste hulde –
Voortaan voorgoed gebonden, zonder weg terug,
Te dwepen met hun pracht... en hun gebroken rug!



‘Eer’, ‘teer’ en ‘schier’ en ‘lier’ lijken qua klank zoveel op elkaar dat ik hierboven met iets meer tolerantie ook vier maal a had kunnen tikken in plaats van twee maal a en tweemaal d.
Ook is duidelijk te zien dat Hulsenboom met woorden speelt die in beide talen dezelfde werking en betekenis hebben (blason-blazoen, gloire-glorie) alsmede met woorden die een Latijnse achtergrond hebben (modest, excellent, nobel, melodisch, gedecoreerd). Net als Verlaine hanteert hij vaak archaïsmen. Sommige vallen samen met hun Franse achtergrond maar hij pakt ook heerlijk uit met Germaanstalig erfgoed (onvervaard, smart, bezoedelen, schier, bard, waarachtig). In dat opzicht evenaart de Nederlandse vertaling het origineel. Om de regels soepel te houden trekt Hulsenboom o.a. meerdere woorden samen (majesté en force bijvoorbeeld tot pracht, dat beide elementen overlapt en daarnaast macht en kracht oproept).
De grootste uitdaging moet de openingsregel echter hebben geboden, een combinatie die op elke vertalersopleiding kan worden geserveerd. De commanderende toon, ook nog eens inhoudelijk programmatisch, is met de opsomming ‘lire’, ‘faut’, ‘lu’, ‘faut’, ‘fallu’ natuurlijk rijker dan ‘lezen’, ‘uitgelezen’, ‘klaar’, ‘lezen’, ‘punt’ maar Hulsenboom weet wel dezelfde indringendheid weg te zetten, eenzelfde effect. Ook al botst het uitroepteken op de betekenis van leesteken bij ‘punt’, het probleem is stoutmoedig benaderd.
Met ‘kunt’ als bepalend enjambement-woord gaat hij ter wille van een rijm bij het woord ‘punt’ nét een stap verder dan Verlaine.

De waarde van de sonnetten berust op het originele, soms vileine perspectief op het onderwerp, let op de ironie, en de telkens opduikende virtuositeit van de oude vos die Verlaine was geworden. De inhoudelijke kant buiten beschouwing gelaten, boden ze echter geen poëtische vernieuwing. Hulsenboom weet steeds een balans te vinden tussen enerzijds het inhoudelijk navolgen van Verlaines origineel en anderzijds het aansturen op een autonome Nederlandstalige beleving.

We zijn nog ver van de integrale omzetting van Verlaines gedichten -gelet op de talrijke dieptepunten is die ook niet wenselijk- maar dankzij Hulsenbooms inzet is wél een relevant stukje taalplezier toegevoegd aan de lyrische legpuzzel van de nog immer fascinerende Pauvre Léliane, zoals de dichter zich, ook alweer spottend, met een anagram omschreef.


Paul Verlaine, Biblio-Sonnetten; Vertaald door Martin Hulsenboom; Uitgave: Stichting Cultureel Brabant; 2016; 112 pp; ISBN: 978-90-822545-2-5.

Deze recensie verscheen iets eerder, in maart 2017, in het culturele tijdschrift Brabant Cultureel.


Zie ook:
Frozen Poets - Beelden, graven en andere sporen van dichters

Nederlandstalige gedichten in Indonesische vertaling

Zie voor ruim 1100 recensies, lang en kort, ook de rubriek KRITIEKEN op www.alberthagenaars.nl



vrijdag 28 oktober 2016

MARTIJN BENDERS - Lippenspook





NAR EN JONGLEUR INEEN

Martijn Benders’ fascinatie voor actualiteit en humor



Hoe grappig en vernuftig maar tegelijk ook vluchtig moderne poëzie kan zijn, wordt wel aangetoond door de productieve Martijn Benders (1971, Helmond), die sinds kort ook als prozaïst actief is. Als dichter stelt hij zich bij voorkeur in de volle breedte van het genre op, en met alle veren op z’n hoed.

Door Albert Hagenaars

De uitgeverij noemt Lippenspook de zesde Nederlandstalige bundel van de auteur, Wikipedia komt met elf titels op de proppen onder het kopje Poëzie. Het verschil wordt waarschijnlijk gemaakt door diverse POD-uitgaven. Hoe dan ook; in deze nieuwe bundel prijkt al op de eerste titelpagina een vingerwijzing van de Braziliaanse dichter Manoel de Barros (1916- 2014): “To uninvent objects. The comb, for example. / To give the comb abilities of not combing. // To use some words until they belong to no language.”

Dit is een opmerkelijk citaat, alleen al door de tegenstelling. Aan de ene kant wordt een verlangen naar functieverlies aangegeven, althans naar het verdwijnen van de kenmerken van een object; aan de andere kant gaat het juist om aanvullende krachten die een dergelijk ontbindingsproces van doelen mogelijk moeten maken. De Barros gaat zelfs zo ver om net zo lang woorden in te willen zetten totdat ze tot geen enkele taal meer behoren. De vraag wordt dan: zijn ze versleten, vergaan, of zijn ze er nog wel maar kunnen ze niet meer herkend worden? In beide gevallen gaat de oorspronkelijke eigenheid teloor. Ongeacht het antwoord bij deze vraagstelling, komt Benders’ eerste tekst op verschillende manieren een aardig eind in de aangegeven richting.



TREK NIET DIE ZWARTE KOUS OVER JE KOP

Stap nooit bedaard, gematigd in die goede nacht.
Ga niet als ’t makke schaap wanneer je gaat.
Vertrek niet zomaar naar die gehoorzame andere kant.
Verdwijn niet zomaar in de zoete nacht.
Ha niet zachtmoedig in die goede nacht.
Ga niet gewillig in die goede nacht.
Word zijn vriend, al is de nacht ook goed.
Ga niet zachtmoedig in die goede nacht.
Begeef je niet gelaten in de laatste slaap.
Ga niet te willig in die goede nacht.

Gemaakt uit openingsregels van bestaande
Dylan Thomas-vertalingen.



CAPRIOLEN
Nou, het valt nog te bezien of de bewering onderaan klopt want als er één dichter is die onverbeterlijk fabuleert is het Benders wel. Gelukkig doet hij het ook met verve. Om zijn bewering te staven zou je de Nederlandse vertalingen van Thomas’ beroemde doodsgedicht Do not go gentle into that good night bijeen moeten rijven. Wie de openingsregels aan een zoekmachine voert, ziet dat de bedoelde omzettingen wel degelijk bestaan! Ze scholen zelfs samen op de site Hernehim van John Zwart, die z’n bezoekers uitnodigde een eigentaalse vertolking te maken. En er zijn natuurlijk nog veel meer uitvoeringen van het gedicht. Voor het principe maakt het niet uit. De dichter wil dat we ons richten op eenzelfde oorspronkelijk in het Engels geschreven regel die door al die vertalingen is ondergesneeuwd. Hij is er nog wel en tegelijk dus ook niet meer.
De omzettingen verwijzen ook naar de repetitie, vier vermeldingen om precies te zijn, in Thomas’ origineel (zie Engelse tekst). Dat vormt een villanella want ook een andere regel wordt daarin zoveel keer herhaald. Maar veranderen deze acht regels gaandeweg? Nee, dat wil zeggen, de vorm blijft exact hetzelfde. Wel mag gefilosofeerd worden over de invloed op de betekenis van de omringende regels die wel telkens anders zijn. Wie na het kauwen op deze eerste pagina gedichten verwacht die thematisch met de functie en doelen van poëzie te maken hebben, komt bedrogen uit. Benders’ taalplezier ontlaadt zich in zoveel capriolen dat het naar onteigening en vergetelheid strevende motto keer op keer gelogenstraft wordt. Niet alleen is hij typografisch in de weer, o.a. met opgeblazen letters die nog van verspringende streepjes zijn voorzien, met een dikke zwarte balk midden in een tekst en met op een verder lege pagina neerdwarrelende vraagtekens, ook verschuift hij steeds van perspectief. Aan onderwerpen geen gebrek! Aan humor ook niet. Wat te denken van titels als: Pyroversum, Elegie voor iets als Zierikzee, Onder de hoerige wol van de sterren, Aju paraplu en Uit het dagboek van een schaamluis?
Ronduit hilarisch is:



ALS JE VOOR ONZE LIEVE HEER STAAT

Is zijn enige vraag: hoeveel?
Met hoeveel meiden wist jij te slapen, Benders?
En mijn vader zou zeggen: eentje, Mijnheer God.
“Vond je haar dan zo mooi” vraagt God.
“Nee, het hoorde zo”, zegt mijn vader.”
God bijt dan op zijn lip.
Bekent dat hij nog nooit met iemand sliep.

Ik verschuil me achter een wolk
waarin een vliegtuig vol engelen bevroren zit,
die allemaal dezelfde trouwjurk aanhebben,
mispels in hun blonde haren en pikzwarte brillen,
en dan komt Jezus, met zijn nasale omroepstem,
die zijn hand op mijn schouder legt
of nee, geen hand. Was het maar een hand.



VIRTUOOS
De dichter moet het dus niet op de eerste plaats van de traditionele verworvenheden van de poëzie hebben. De overeenkomst in ‘zou-zeggen’ en ‘lip (zie titel)-sliep’ berust eerder op toeval dan op een bewust aangebracht klankenspel. Nee, het gaat om de inhoud en die krijgt met effecten als hoekse wendingen en verrassende beelden en, voor oudere of gelovige lezers waarschijnlijk ook nog provocerende, uitspraken, alle gewicht. Toch dankt bovenstaand vers z’n belang vooral aan het slot, waar de lezer wordt gemanipuleerd om na te denken. Die laatste regels prikkelen eerder tot herlezen dan de laconieke en mede daardoor juist luimige zegging van het geheel.






In hoeverre is het zinvol te peilen naar een hoger liggende thematiek dan het contrast tussen de seksuele moraal van de kerk versus de promiscuïteit die onze huidige cultuur toestaat; dan, desgewenst, schuld en boete? Verbanden proberen te ontdekken tussen poëzie en de tijd waar die naar verwijst is altijd relevant maar bij deze tekst van Benders valt het niet mee om een nóg concretere gedachte te vinden. Moet die er zijn? Welnee, niet elk geslaagd gedicht is daarvan afhankelijk, denk aan de Kleengedichtjes van Gezelle of de late lyriek van Van Ostaijen. Als een ‘hoger plan’ bij elke lezing blijft ontbreken, mis je een mogelijke meerwaarde maar niet het taalspel op zich, dat immers de grootste intrinsieke waarde van het genre uitmaakt. En in taalspel is Benders moeilijk te kloppen, hij opereert veel behendiger dan de gemiddelde collega. Soms is hij zelfs virtuoos, zeker waar het plezier hem opdrijft, grillige invallen gunt, zoals in onderstaand bizar verhaal dat ik er uitlicht ter wille van a) enkele overeenkomsten met het gedicht hier boven en b) de herhalingen, die, wie weet, aansluiting zoeken bij De Barros’ citaat.



WOLKENRIJ 6945B

Je loopt over straat in de stronk van je pak.
De tijd sloert voorbij. Je sluit aan in de rij. Op bureau doe je stoer.
Schrijft regels, decreten, wetten. De hele mallemoer
mag wat jou betreft direct resetten.
Il existe des coups de foudre en amour.

Als je sterft boert je ziel door een tunnel van papier.
Een zelfgeschreven tunnel. Een grote lultunnel.
Een engel vliegt op je af.

Je krijgt gratis onderdak. Een wolk wordt toegewezen.
Gabriel stopt je wat zakgeld toe.

Je wolk zit in wolkenrij 6945B. Je zweeft in de stronk van je pak.
De tijd sloert voorbij. Buurengelen spreken in tongen.

Aan het eind der tijden, immer sneller daar dan verwacht,
klinkt hoge synthesizermuziek. Jezus daalt neer, gaat naast je
op de wolk zitten. “Waarom”, vraag je hem, en je opent je hand.

“Rot op naar je eigen wolk”, zegt Jezus.




RELIGIEUZE KNIPOOG
Een stronk is niet alleen een stobbe of stomp maar ook een krop, een kern, precies zoals het gedicht van Thomas dat is voor het bijna ontelbaar grote aantal vertalingen ervan. In de stronk van je pak krijgt daarmee de duiding van de mens zelf, en dus ook de dichter. Deze uitleg past in elk geval tevens bij “regels, decreten, wetten”, kortom de hele santenkraam van wat er aan taalregisters overheen dwarrelt. Getuige de regels daarna wil Benders hier, op een andere wijze dan De Barros, terug naar de kern. Dat hij daarbij de liefde oppikt is mooi meegenomen. Misschien beoogt hij hier te zeggen dat je moet kiezen voor wat je drijft, voor de begeestering, de vervoering!

Het andere ongebruikelijke woord, ‘sloert’, heeft meerdere betekenissen, hier waarschijnlijk een combinatie van sleuren en zo goed mogelijk verlopen. Ditmaal is er wel assonantie, bij de reeks ‘stoer’, ‘mallemoer’ en vooral ‘boert’. Boeren is een oprisping hebben maar kent ook verwantschap met boertig in de trant van kluchtig en daarmee zijn we weer bij een van de karakteristieken van Benders’ werk. Het moge inmiddels helder zijn dat zijn humor wel uit is op het ontdoen van de poëzie van maatschappelijke niveauverschillen en taboes, maar tegelijk geraffineerd in elkaar steekt.

‘In tongen spreken’ is de zoveelste religieuze knipoog in de bundel. De uitdrukking komt voor het eerst voor in het Nieuwe Testament (Handelingen 2), na Jezus’ hemelvaart (vandaar de wolken). De zegswijze wordt meestal uitgelegd als de opgave om mensen uit andere landen in hun eigen taal het evangelie door te geven. Hier is dat dus het credo van Martinus Benders. Het openingsgedicht dient dan toepasselijk als uithangbord; Dylans belangrijke regel over leven en dood wordt door hem meteen in allerlei variaties doorgegeven aan de lezers van de vertalingen. Ik typ Martinus want de symboliek van Benders’ naamgever, bisschop Martinus van Tours, liegt er niet om. Sint-Maarten was ook al zo’n gulle doorgever. Hij werd onvermijdelijk de beschermheilige van de armen, lees de vluchtelingen over wie Benders zich poëticaal bekommert.

Het trefwoord ‘wolk’ sluit daar mooi op aan. Het lijkt niet voor niets op ‘volk’. Dan is het niet moeilijk meer om in het slot de politieke riedel ‘Pleur op!’ van Rutte te zien reflecteren of uitspraken van Wilders en soortgelijken. Wie er op let zal veel verwijzingen naar politiek en religie door de gedichten van Benders zien schemeren, teveel zelfs om in een kritiek te kunnen proppen. Dat maakt ook dat zijn werk veel meer op de traditie leunt dan menigeen bij eerste lezing zal aannemen maar deze keer bedoel ik daarmee de verskunst op zich, de vaardigheid om goede producten te maken cfr. het streven van bijvoorbeeld de Rederijkers of de Parnassiens met hun l’art pour l’art-beginsel. In Benders verzen omhelzen techniek en sociale betrokkenheid elkaar echter vrijwel onophoudelijk. Een voorbeeld dat velen zich nog van recente journaalbeelden zullen herinneren is:



17 DECEMBER 2015

Bloemen vergaderen op de velden.
Tuinen tussen de huizen. December. Kerstoproer in Geldermalsen.
Zwanen parkeren op het slonzige water.

Mijn hart is een Ready Lost het mensenhart een Ready Made.
Iedereen is vluchteling en strand
.



TAALGENOT
De alom aanwezige grappen en grollen plus het beroep dat hij doet op de actualiteit maakt wel dat dit soort poëzie vluchtig is. Ook een mop of ironische toon is bij de eerste vertelling het meest succesvol. En nieuws zit al gauw in de papiercontainer of in de map verwijderde berichten. Sterker dan bij andere dichters kun je je afvragen hoe lezers over 25, 50, 100 jaar op deze teksten zullen reageren. Helaas meer met onbegrip, denk ik, dan bij het in overvloed geproduceerde middle of the road werk dat de lezer aangename momenten wil bieden, of het door Benders vooral zo vermaledijde ‘mooie’ en ‘ernstige’.
Wat blijft is in elk geval het aanstekelijke taalgenot dat van elke bladzijde spat. Benders is een originele dichter eerste klas: een eigentijdse nar en jongleur ineen!


MARTIJN BENDERS; ‘Lippenspook’; 64 pagina’s; Van Gennep; Amsterdam; 2016; ISBN: 9789461644497; NUR: 306. € 16,90.



Deze recensie verscheen in kortere vorm eerder, in oktober 2016, in het culturele tijdschrift Brabant Cultureel.

Zie voor ruim 1100 recensies, lang en kort, ook de rubriek KRITIEKEN op www.alberthagenaars.nl



donderdag 22 september 2016

SYNAPSZ




DE RAAKPUNTEN VAN KUNSTCOLLECTIEF SYNAPSZ

De kunstenaars van SynapsZ weten elke keer te verrassen met hun manifestaties. In korte tijd zijn ze garant gaan staan voor mentale ontdekkingstochten en sensitieve schranspartijen. Wie zijn deze energieke uitvoerders en wat hebben ze voor ogen?

Door Albert Hagenaars


Samenwerkingsverbanden van kunstenaars heb je al eeuwen in vele soorten en maten, variërend van de strikt gereglementeerde Sint-Lucasgilden tot de puristen van De Stijl en de voorvechters van vrije expressie van Cobra en, om dichter bij huis te blijven, van STOK in Den Bosch tot Arsis in Bergen op Zoom. Sinds kort is er SynapsZ, eveneens in Bergen. Wat beweegt Gerard Huisintveld, Hans Oerlemans, Aagje Pel, Fred de Ron en Richard de Weert, die zich hierin hebben verenigd?

HET SPOOR
In de zomer van 2015 deed dit kunstcollectief duchtig van zich spreken. De groep kristalliseerde echter al in 2014, zij het in een iets andere samenstelling dan de huidige kern. Aanleiding was een gemeenschappelijke expositie in het onder Bergen op Zoom gelegen kasteel Ravenhof. De titel luidde 'Het is het spoor dat je bijster maakt'. Die kun je op twee passende manieren verklaren. Uitgangspunt was een traditionele opzet met schilderijen en beelden maar al snel werd gestreefd naar een samenvallen van deze en andere disciplines middels o.a. performances, conceptual art en geluidseffecten. De afstand die beschouwen inhoudt werd ingeruild voor een directe aanval op de zintuigen van de bezoekers. Slenteren langs maakte plaats voor dwalen dóór, opgaan ín. De toon was gezet, de intrigerende naam alle eer aangedaan.

Deze wil namelijk een beginsel uitdragen. De betreffende website verwijst naar een synaps, het raakpunt tussen twee zenuwcellen of dat tussen een cel en een spiervezel, waar de overdracht plaatsvindt. Alleen, er is geen direct contact; de open ruimte wordt als het ware door een signaal overspróngen. In een mini-manifest zeggen de bewindvoerders dan ook dat ze willen aansturen en verbinden, niet alleen genoeg ruimte geven aan de eigen artistieke driften maar die ook doorgeven. Zoiets kan natuurlijk alleen maar goed gaan als de betrokkenen de juiste voorwaarden scheppen! Maar dát nu kun je ze niet bepaald ontzeggen.




Het buiten Ravenhof



ZIENTUIGEN
De groep vijftigers en zestigers, van wie de meesten elk op zich al tientallen jaren actief zijn, wist in augustus 2015 voor zes weken de hand te leggen op het Koetshuis. Dit gebouw maakt deel uit van het Markiezenhof en zal binnenkort het West-Brabants Archief huisvesten. Op drie niveaus, op de begane grond en in bovenruimtes maar ook in de enorme middeleeuwse kelder, presenteerden de leden van SynapsZ samen met gastcollega's een proeve van hun principes onder de toepasselijke noemer Zientuigen. De bezoeker werd meteen bij binnenkomst al geconfronteerd met een installatie, bekleed met geel en groen oplichtende printplaten. Het apparaat, ‘Mainframe’ getiteld, bracht amechtige klanken voort die mede door bewegingen van buiten konden worden bepaald. Menigeen stond al gauw met de armen te zwaaien. Was getekend: Peter Schudde (beeld) en Hans Timmermans (geluid), en de bezoeker uiteraard. ‘Mainframe’ was later ook nog te zien in het Stadio di Dominiziano in de Italiaanse hoofdstad, op de tentoonstelling Premio Arte Roma 2016.




Mainframe van Peter Schudde



Van heel andere aard waren dan weer de geïmproviseerde auditieve performances van duvelstoejager Gerard Huisintveld, die vaak op twee, drie plekken tegelijk leek te opereren. In de galmende akoestiek van de kelder, waar ook o.a. musicus Ruud de Kort actief was, gaf hij shows ten beste door met stangen de verweerde vloer en kolommen te kastijden, al wat maar op zijn pad kwam te slaan en te strelen en op densiteit te beproeven. Maar net zo makkelijk huppelde hij op het plein voor het Koetshuis rond als een onweerstaanbaar vrolijk vruchtbaarheidsgodje, net ontsprongen aan een schilderij van Jheronimus Bosch.




Video still van Gerard Huisintveld



Er was nog veel meer te ondergaan, teveel om te bespreken. De catalogus heeft het o.a. over een Jazztafette, een eigenzinnige wijnproeverij, mode, pop-up poëzie, een jamsession, theater, architectuurpresentaties, een verkenning van de nabije historische kruidentuin en lezingen.
Twee uitzonderingen echter. Zo verdient de bijdrage van Ellen Rijk het om te worden gememoreerd. Haar installatie, ‘Troostvloot’, bestaat uit houten boten die qua vorm ontleend zijn aan de spitsboog van de Gotiek. De kunstenares bedoelde ze als kapelletjes, rechtopstaand of liggend in het denkbeeldige water van de kelder, onder de formeel rijmende gewelven. Religieus geladen of niet, de holle sculpturen met afbeeldingen aan de binnenkant, sporen aan tot reflectie. Weliswaar betrof het geen nieuw werk want Rijk produceerde dit werk al in 2011, tijdens de Bosch-parade, een complete vloot van varende kunstwerken, maar verreweg de meeste bezoekers van Zientuigen zullen ‘Troostvloot’ voor het eerst hebben gezien.
En ook de foto's van de eveneens geïnviteerde Jacques Bakker moeten vermeld worden. Deze imponeerde in een alleen aan hem toegewezen ruimte met monumentale zelfportretten in zwart-wit vol symboliek. De werken werden versterkt door de indringend bonzende klanken van zijn eigen hartslag! Op één foto beeldde hij zich af als Jezus van Nazareth met de bloedkrans op z’n hoofd en een druipende doek om de schouders, op een andere zwaar geschminkt, met Japanse knot en een buigende haan in zijn greep. Het was toch al een goed jaar voor Bakker; hij mag zich, als tweede Nederlander, voortaan een Master Qualified European Photographer noemen.




De bijdrage van Jacques Bakker



Ondanks de geïsoleerde ligging (het erf achter de Hofstraat kun je moeilijk een 'triple A-location' noemen) en het feit dat het Koetshuis niet altijd exposities brengt, streek het publiek op de prikkelend bonte uitstalling neer als vlooien op een hoogpolig tapijt. De eindstreep werd gehaald met ruim 4000 geregistreerde bezoekers, een aantal in zo'n korte tijd waar menig kleiner museum jaloers op zal zijn.





GEHEIM
Wat is het geheim van dit succes? Allereerst konden de exposanten de in Ravenhof opgedane groepservaringen aanscherpen. Nog duidelijker wisten ze nu wat ze wel en wat ze niet wilden en konden. De overtuigingskracht was daardoor een stuk groter. Fred de Ron, tot dusver vooral schilder, bracht dat helder naar voren. Hij legde uit hoe juist deze samenwerking resulteerde in een drang naar driedimensionaal werken, naar de behoefte ook om een confrontatie met de ruimte aan te gaan, "hetzij door het plaatsen van assemblages, hetzij door het toevoegen van context-vreemde elementen". De sculpturen van Hans Oerlemans daarentegen zijn meer intrinsiek gericht. Ze lijken, extra boeiend in juist dit bestek, de relatie met de wisselende omgeving eerder te ontwijken, te ontkennen. Dat werkt uiteraard averechts want hoe autonomer een kunstwerk is, hoe uitdagender de uitstraling en, onvermijdelijk, de aansporing tot een stellingname van de passant.

Als tweede punt waren de onophoudelijke veranderingen van groot belang, vaak per dag, alsook het inzetten van tientallen (!) collega's van buiten het collectief, soms ook van verre. De bezoeker die het gistende Koetshuis net als ondergetekende meermaals bezocht kreeg dan ook de gewaarwording dat het om telkens andere avonturen ging. Eén van die terugkerende gasten was Jan Slokkers, betrokken bij de programmering van Schouwburg De Maagd. Hij raakte ervan overtuigd dat SynapsZ een relevante bijdrage zou moeten leveren aan het naderende 25-jarige bestaan van het theater in de voormalige kerk.

Ten derde gaat het niet om aankomende kunstenaars, al kunnen die uiteraard ook danig uitpakken, maar om gepokt en gemazeld talent. De samengevoegde, beter gezegd de gemengde waarde overstijgt verre het belang van de optelsom van de vaardigheden van elk, hoe gerijpt ook. De bedoeling om het publiek te overrompelen met een ver doorgevoerde interactie slaagde volkomen. Een bijkomend voordeel van het grijs om de slapen van in elk geval de nucleus van het collectief was dat iedere deelnemer inmiddels een grote achterban heeft opgebouwd en die natuurlijk niet onbenut liet.

Ook gunstig was de vakantieperiode met aanvulling. Er kwamen veel bezoekers uit andere provincies en België. Een deel daarvan bestond uit toeristen. Daarnaast werd het onderwijs ingeschakeld. Ongetwijfeld was voor een aantal scholieren een tocht door het Koetshuis niet alleen één van de eerste activiteiten in hun nieuwe klas maar ook een kennismaking met moderne kunst. Het samenvallen met de landelijke opening van de Open Monumentendagen, ditmaal in Bergen, legde SynapsZ evenmin windeieren.

Ten vijfde kon de organisatie bogen op een professionele promotie en een vruchtbare samenwerking met diverse geledingen van de gemeente en het Markiezenhof en niet in het minst de sponsors.



'Concert for lonely visitors' van Ruud de Kort. Foto: © Siti Wahyuningsih



CONCEPT
Desgevraagd vertelden de deelnemers dat het concept van hun samenwerking valt of staat met o.a. een gezonde spanning 1) tussen het individueel werken en in groepsvorm, 2) tussen nieuwe en oude toegepaste materialen en 3) tussen de wereld van vrijheid en verbeelding enerzijds en de eisen van de optimaal effectief ingerichte maatschappij anderzijds.
Wat dat hergebruik betreft: met name Aagje Pel is al heel lang bezig met het manipuleren van patina. Ondanks het gebruik van verweerde, verroeste, vergroeide en verkleurde onderdelen lijkt haar werk van en voor alle tijden. Het getuigt van de taaiheid van bestaan lang nadat de oorspronkelijke functies van onderdelen teloor zijn gegaan. En Richard de Weert is niet te beroerd om met uit poldersloten opgeviste lappen landbouwplastic en de modernste bewerkingstechnieken fascinerende kleurstructuren op te roepen die eenzelfde diepte krijgen als middeleeuwse glas-in-loodvoorstellingen. Voor hem gaat het niet alleen om duurzaamheid, maar ook om al dan niet metafysische verheffing.

MUSIC OF THE SPHERES
De kunstenaars, naar eigen zeggen "geen drie musketiers maar vijf Don Quichotes", willen uiteraard niet werken in een hiërarchisch geordende organisatie, ze voelen zich het meest thuis in "een zelfregulerende chaos". Beter kun je ook het verrassende karakter van hun manifestaties waarschijnlijk niet omschrijven. Maar: verrassen is één, blijven verrassen is twee! Dat SynapsZ de succesvolle lijn wil doortrekken blijkt uit het verbond dat op instigatie van Jan Slokkers kon worden gesloten met het Residentie Orkest. Dit ensemble verzorgde samen met Wibi Soerjadi in september een optreden in schouwburg De Maagd. Op het programma stonden werken van Franse componisten als Berlioz, Saint-Saëns en Bizet, muziekmakers die ook het nodige wisten van mengen en roeren. En ontroeren!

Motto van deze opening van het theaterseizoen was Music of the Spheres. SynapsZ, ditmaal aangevuld door Els van Egeraat en Kees Warmoeskerken, vroeg enkele beeldregisseurs om vanuit zeven grote bollen, eerder gebruikt voor een project van laatstgenoemde, bewegende beelden op een doek achter het orkest te projecteren. De resultaten waren verbluffend. De muziek nam tijdens het concert de meest uiteenlopende kleuren aan en werd nu eens bedreigd door geometrische vormen, dan weer overspoeld door vlagen vagevuur. De enthousiaste reacties van het publiek en musici na afloop logen er dan ook niet om.

Steeds meer mensen zullen uitzien naar een nieuwe onderneming van SynapsZ. Hopelijk zullen ze dan de lat nogmaals hoger willen leggen of, eveneens passend, weer een heel ander avontuur van verbindingen aangaan!




Het Residentie Orkest tegen een projectie van Richard de Weert




V.l.n.r.: Gerard Huisintveld, Fred de Ron, Hans Oerlemans, Aagje Pel en Richard de Weert


www.synapsz.nl


Deze bespreking verscheen eerder, in iets kortere vorm, in het zomernummer van het blad Brabant Cultureel.



Klik hier voor veel meer besprekingen.



zondag 10 juli 2016

ERIK MENKVELD - Verzamelde Gedichten



Foto: Maria Vlaar


SPEELSE DENKPROCESSEN VAN ERIK MENKVELD

Een uitgave van chronologisch gepubliceerde Verzamelde Gedichten heeft t.o.v. aparte bundels de nodige voordelen. Zo zijn de ontwikkelingen in één band beter te volgen, heb je de definitieve versies en, in het geval van een bloemlezing, waarschijnlijk de hoogste gemiddelde kwaliteit.
Van Erik Menkveld, geboren in 1959 te Eindhoven en overleden in 2014 te Amsterdam, verschenen onlangs in één band zijn enige drie bundels plus de nagelaten gedichten. Deze nu voorgoed vastgelegde lyriek beslaat nog altijd ruim 200 pagina's inclusief ruim 20 vertalingen van verzen van Louise Glück (USA) en Hendrik Rost (BRD).
Marjoleine de Vos schreef de verantwoording. Die wordt gevolgd door aantekeningen bij alle teksten met inbegrip van informatie over voorpublicaties in tijdschriften en bloemlezingen e.d.

Zijn late debuut verhinderde hem niet zich ook als romancier en essayist te ontwikkelen. Daarnaast was hij o.m. redacteur bij De Bezige Bij, programmamaker van Poetry International, medewerker van het tijdschrift Tirade en poëzierecensent voor De Volkskrant.

Menkveld was bijzonder onderzoekend van aard en wierp zijn sleepnet uit over verschillende tijden, culturen en disciplines, bijvoorbeeld de muziek. Zo werkte hij samen met componist Micha Hamel en schreef hij poëzie met in gedachten o.a. Guillaume Dufay, Leoš Janáček en Gustav Mahler. Vreemd daarom is dat zijn gedichten zelf qua klank en ritme niet aan muziek doen denken. Ze zijn eerder cerebrale avonturen dan zintuiglijke aansporingen.

Zijn lyriek kenmerkt zich over het algemeen door een verhalende, af en toe laconieke toon, omkeringen, flarden van een ‘parallelle logica’ en telkens verspringende invalshoeken per tekst. Dat levert wendingen op waarover valt te filosoferen: "Wat een fraaie druppel / zou ik zijn als de wuivende stranden / mij niet omgaven, geen koraalrif / mij doorsneed.” Niet zelden betrekt hij de lezer bij het ontstaansproces door vragen te stellen. Ook plaatst hij hetgeen hij waarneemt in een geïsoleerd perspectief, zodat de autonomie toeneemt en er effecten van vervreemding ontstaan. De uitvoeringen kennen onderling grote verschillen, in onderwerp en stijl maar ook in kwaliteit.

Het eerste gedicht van zijn debuutbundel ‘De karpersimulator’ uit 1999 begint al meteen met een geruststellende aansporing:



EVEN

Ga maar even zitten
denken aan zeer bepaald
maar willekeurig zand
ergens in de aarde,
een verloren compositie
van Anonymus, gevaar
dat iemand liep in 1860,
alle lucht die Coltrane
ooit heeft ingeademd-
en kijk eens wat een kleuren
in de ramen van je tijdelijke
huis bij lage zon.



Het maakte Menkveld principieel vaak niet uit wat het onderwerp onder zijn dichterlijke vergrootglas was, het ging ook om de concentratie, en het denken natuurlijk. De inspiratie kwam dus niet alleen van buiten maar minstens zo sterk van binnen.
Bij ‘Coltrane’ kun je je afvragen welke hij op het oor had. Er zijn immers meerdere musici met die naam, bijvoorbeeld Chi, Alice en Ravi. Zelf houd ik het vanwege de combinatie met lucht op saxofonist John Coltrane, een jazz-componist van de eerste orde.
‘Je tijdelijke huis’ kan met een logeerpartij te maken hebben maar de omstandigheid van laat zonlicht roept meer nog een reflectie op leven en dood op, waardoor de tijdelijke woonst ook aan het lichaam, of dit leven, refereert. Zo weet Menkveld z'n teksten diepte mee te geven, zinvolle verbindingen naar andere werkelijkheden.

Hij had duidelijk een voorkeur voor zelden gebruikte woorden en neologismen. Een greep uit slechts enkele pagina's: kopvoeters, frescoblikken, waterschildpadschild, bicblauw, dwarrelaar, doejong, siloloos. De teksten zinderen bovendien door een opvallend groot areaal aan bezigheden; je hoeft niet raar op te kijken om in één vers woorden tegen te komen als: doorlaten, ruisen, krijsen, binnenvliegen, fladderen, zwijgen, sluiten, omspoelen, lichten, verdwijnen (in ‘Laatste Bezoek’, niet eens een lang gedicht). Soms gaat Menkvelds werk over in impressionisme, zoals in ‘Duistere doelen’. Hier is wel sprake van (zelf)ironie maar niet van een pastiche want J.C. Bloem zelf streefde eenvoud na.



O betovering van eerste leesgegrepenheid!
In 't allengs bolknakgeurender herfstlicht
van twee kalende regels Bloem baadt
heel mijn gretig onvervulde puberteit...



Die speelzucht houdt eveneens in dat Menkveld zich niet altijd weet te vrijwaren van gepriegel, omslachtigheid en effectbejag, al zullen er zeker lezers zijn die zich hier wat graag aan laven. Die groep kan zich dan uitleven in het vers ‘Naleven’, dat ook behoorlijk druk is maar in elk geval een mooi slotbeeld kent:



NALEVEN

Kopvoeters onder stralende zon
in gras wij, blij intact nog
tussen brokstukken bakermat,
vage frescoblikken, sleetse
mozaïeken; van wat zich voordeed
hier aan slim geleef en onderdook
in onderlegd gespeculeer
tussen schaarsverlicht leer
ternauwernood weet, wij
kariatiden van het ogenblik.



Toch is hij veel beter waar hij zich inhoudt en eerder de gesuggereerde onderlinge verbanden in plaats van de woorden het werk laat doen. Een juweeltje van een gedicht is bijvoorbeeld ‘Tulpen’, dat een grotere geestelijke ruimte inneemt dan je op basis van de beperkte omvang aan zou nemen:



TULPEN

Zijn beste ogenblikken
heeft de hoorspelspeler niet
wanneer hij over grind loopt
of met deuren slaat.
Zwijgend zet hij rode tulpen
in een blauwe vaas en in de stilte
van je huis staan ze te bloeien
op de lege tafel bij de radio
die hem verraadt.






Menkveld was niet ver verwijderd van een vierde bundel. Hij had daar volgens Marjoleine de Vos o.a. de volgende werk titels al voor genoteerd: ‘Reetketel!’, ‘Oleanderapen’, ‘Ik voel haar ademen’ en ‘Ontstaansmoment’. Tot de 49 nagelaten gedichten die er een plaatsje in hadden kunnen krijgen, behoort een reeks genaamd ‘Schumanniana - Veertien liederen zonder muziek’. Eén van de treffendste bijdragen daarin vormt:



IN DUISTERNIS

Is dit aan zee? En ben ik een man?
In welk hevig ruisen ben ik beland?

Is het hier dag? En kom ik net aan?
En kan ik mijn tassen hier laten staan?

Hé, ik loop, wie weet waar naar toe.
Ik tuimel in iets dat heel angstig roept.

Is het een vrouw? Dan lig ik erop.
Dan hoef ik vanavond de straat niet op.

Nee, geen vrouw. Het is iets van steen.
En niet voor een man, dat voel ik meteen.


(Albumblatt op. 99 no. 4 in fis)



Dat er vragen gesteld worden in een vers is op zich nog niet bijzonder, al zijn maar liefst zeven stuks er wel dwingend veel. Laat ik er zelf ook eens een aantal formuleren…
Want waarom zou de vraag gesteld moeten worden of het hier dag is, terwijl de titel aangeeft dat het donker is? Dat heeft alleen zin als het een verduisterde dag betreft (bijvoorbeeld bij een zonsverduistering) of de beleving van een blinde, of die van iemand die zich in een afgesloten ruimte bevindt. Klein kan zo’n ruimte dan niet zijn want er heerst een hevig ruisen, wellicht dat van de zee. Menkveld drijft de spanning nog verder op door eerst temporele aspecten erbij te betrekken zoals in ‘kom ik net aan?’ en daarna erotische. Normaal gesproken weet je prima of je ergens net aangekomen bent. Waarom hier dan niet? In wat voor situatie kun je je terecht afvragen of je net aangekomen bent? Waarom is niet meteen bekend uit wat voor materie ‘het iets’ bestaat als er gekozen kan worden tussen een vrouw en een steen? Geen klein verschil! En waarom zou dat iets van steen wel eventueel bedoeld kunnen zijn voor een man, hoewel dat dan weer wel meteen ontkend wordt. Hoe kan iets van steen angstig roepen? Gaat het om een van schrik verstijfde persoon?

Een vergelijking met Schumanns werk en leven levert misschien aanknopingspunten op. Van de componist is bekend dat hij graag tegenstellingen uitwerkte; zijn daadkrachtige Florestan en dromerige Eusebius zijn bekende personages geworden. Schumann zelf, niet voor niets een voorman van de Romantiek, bewoog zich tientallen jaren op de spanningsboog van “himmelhoch jauchzend, zum Tode betrübt”. Menkveld speelt in zijn gedicht niet alleen met licht en donker maar ook met vrouwelijke en mannelijk, en zelfs met organisch (levend) en anorganisch (dood). Wie weet was hij geboeid door de schizofrenie of bipolaire stoornis die wetenschappers graag aan Schumann toedichten. De bron van het gedicht, Albumblad opus 99, nummer 4, duurt nog geen paar minuten. Ook de dichter kon uitstekend uit de voeten in een miniatuur, zie ‘Tulpen’ hierboven. Schumann had een angst voor metalen objecten, Menkveld evoceert in dit gedicht een fascinatie voor ‘iets van steen’.
Zette hij eigen associaties bij de muziek in of wilde hij verwijzen naar de ronduit labiele situatie van de componist die in een kliniek werd opgenomen en een serieuze zelfmoordpoging ondernam? In het laatste geval is het zeker niet denkbeeldig dat hij Schumanns sprong in de ijskoude Rijn aanhaalt (waarbij een Nederlandse schipper redding bracht). Duister en ruisen kunnen daar deels mee worden verklaard. Het ruisen kan tevens verwijzen naar de gehoorhallucinaties waar de componist ook al aan leed, waarschijnlijk een vorm van tinnitus.

Elk antwoord op al deze en nog veel meer vragen opent een andere mogelijkheid voor de verklaring van dit gedicht. Of gaat het Menkveld niet om verklaringen maar om verbindingen? In dat geval mag er zeker een link naar het scheppingsproces worden aangebracht. Dichters weten vaak niet waar ze al schrijvende op afstevenen, opereren dan ook in een duister. En zo hoort het ter wille van ware ontdekkingen ook, anders zou de maker al gauw in maniertjes kunnen vervallen.

Eén van Menkvelds verdiensten is dat hij in zowat élk gedicht iets nieuws probeerde te bereiken. Dit gebeurde, onvermijdelijk, met vallen en opstaan en dit verklaart mede de kwaliteitsverschillen. Ondanks het donker en de onzekerheden hanteert Menkveld in de tekst hierboven wel een voor zijn doen heldere stijl. En daar is hij, nogmaals, wat mij betreft altijd op z’n best; niet in een spel dus waar de woorden elkaar eerder verdringen dan ondersteunen maar in de geserreerde zegging waar de geheimzinnige zinsverbanden de betekenis van essentiële woorden nog overtreffen.



ERIK MENKVELD; ‘Verzamelde Gedichten’; 272 pagina’s; Van Oorschot; Amsterdam; 2016; ISBN: 9789028261051; NUR: 306. € 27,50.



Deze recensie verscheen eerder, in juni 2016, in het culturele tijdschrift Brabant Cultureel.

Zie voor ruim 1100 recensies, lang en kort, ook de rubriek KRITIEKEN op www.alberthagenaars.nl



zaterdag 21 mei 2016

KREEK DAEY OUWENS - Ik wil in mijn huis een raam ik wil het raam dichtdoen



Fotograaf: Nog niet bekend


CLAUSTROFIELE POEZIE VAN KREEK DAEY OUWENS

Veel dichters hebben behoefte aan een eigen taaldomein, al was het maar om zich te kunnen onderscheiden in de aanhoudende stroom van papieren en digitale bundels. Ze proberen hun taalgebruik zo origineel mogelijk over te laten komen. De meesten zijn uit op interviews, optredens en besprekingen. Enkelen gaan echter de omgekeerde kant op: nog wel uitgeven (maar zeker niet frequent) en zich op de achtergrond houden. Geen echter zou het liefst in een geluidsdichte en volkomen donkere doos wegkruipen. En dat is precies waar Kreek Daey Ouwens naar verlangt.


Kreek Daey Ouwens (1942) debuteerde pas in 1991, met de bundel 'Stokkevingers' waarin zowel verhalen als gedichten staan, en heeft sindsdien ook niet bepaald een inhaalmanoeuvre uitgevoerd. Haar werk zal nooit het brede publiek aanspreken, daarvoor is het te particularistisch. Lezers die vooral de ontwikkelingen in de poëzie volgen kennen haar echter wel degelijk. Haar teksten worden regelmatig, en terecht, omschreven als gesloten en prozaïsch. Niettemin wordt gewezen op het indringende karakter ervan.

Deze nieuwe bundel met z'n moedig lange naam past precies in het profiel. Op meerdere manieren wordt, voordat je nog maar één gedicht hebt gelezen, een dualisme opgedrongen.
Allereerst door de titel, die door het gewenste raam zowel een streven naar contact aangeeft als een afsluiting. Ten tweede wordt deze titel precies op de cesuur visueel afgebroken. De twee delen worden van elkaar gescheiden door de naam Kreek. De rest van de auteursnaam staat onder het tweede deel. Ontwerper Joost van de Woestijne splitste hiermee knap de vroegste tijd, de periode dat een kind alleen maar een voor- of roepnaam is, en het oudere leven, dat bepaald wordt door afkomst en administratieve verplichtingen. Je mag ook zeggen dat hij een verschil wilde aangeven tussen de innerlijke wereld vol fantasie en dromen enerzijds en de wereld van de dialoog met de wereld buiten anderzijds.
Dit principe zien we terug, en dat is de derde kunstgreep, in de afbeelding (een foto van Martien van Mens). Een sliert van onbepaald materiaal kronkelt in de vorm van een uitgerekte hoofdletter E, valt uiteen in twee stukken die aanvankelijk nog dezelfde vorm hebben en als twee c's bij elkaar lijken te schuilen maar dan afstand nemen, en passant een a uitbeelden die vervolgens weer overgaat in een een o. Ik moet zeggen bijna een o maakt. Het lukte me niet een passende betekenis aan die letters toe te kennen anders dan het Italiaanse "Hier is het" of "Alstublieft" maar dat maakt niet veel uit; de bedoeling is inmiddels duidelijk.
Om er toch geen enkel misverstand over te laten bestaan, gewaagt de tekst op de achterflap, en dit is punt nummer vier, van o.a. "Er is de grote wereld met het grote huis met de grote mensen // en er is het kleine huis waarin je je kunt verstoppen."

Wie zal er dan nog van opkijken in het eerste gedicht regels te lezen als:



Je kunt je verstoppen. Je kunt jezelf
verbergen in een doos. Je kunt de doos
dichtmaken. Al het licht buitensluiten.
Alle geluiden. Van buitenaf ziet de
wereld niets anders dan een dichte doos.
Maar binnen is het stil. Daar kun je
zitten als een vleermuis, zonder dat je
ogen nodig hebt. Je hebt een heel huis
voor jezelf.



De al snel opgewekte claustrofobische reactie van menig lezer wordt ontzenuwd, maar pas aan het eind dus, als het effect z'n beslag heeft gekregen, door de slotopmerking "een heel huis/ voor jezelf. Let op de belangrijke dubbele betekenis van 'heel' en de scheiding van de regel. Het gaat echter om één en dezelfde gedachte: pas als je helemaal op jezelf bent aangewezen, niets meer kan zien of horen, ben je volledig jezelf. Dit soort ingrepen onderscheiden de als verhaaltjes overkomende teksten van Daey Ouwens van proza. De vorm past zich overigens niet aan de inhoud aan. Uiterlijk bestaan de gedichten niet, zoals je wellicht zou verwachten, uit gesloten taaldozen. Integendeel, de regellengte varieert behoorlijk en witregels zorgen voor voldoende zuurstof tussen de strofen. In dit opzicht heeft de schrijfster wel een kans laten liggen.






Niets meer kan zien, schreef ik hierboven. Dat werd al aangekondigd in het motto van het boek: You have an eye, it's an image, van Sylvia Plath. Interessante uitspraak: een oog is niet bedoeld als kijkorgaan maar als zelfstandig beeld en ook hier is sprake van op zichzelf teruggeworpen worden. Nou, dat heeft de nodige consequenties voor het onderzoeken van dit werk, teveel voor een bondige bespreking als onderhavige. Toch twee kanttekeningen: Plaths bewering staat deels haaks op het belang dat Daey Ouwens aan waarnemen hecht. En de lezer mag zich afvragen hoe hij deze poëzie tot zich moet nemen als hij hierin meegaat.

De smaakmakende omslagtekst heeft het over grote mensen. Er is sprake van een afstandelijke moeder en een sterke grootmoeder. Aan deze dames zijn inderdaad nogal wat regels gewijd maar er treden meer personages op: een grootvader, een niet mentaal juist functionerende neef Rudi, de vader van waarschijnlijk een vriendinnetje en een gepersonifieerde knuffelbeer. Daarnaast komen dieren aan bod, met name vogels, katjes en een uit ijs te hakken haas.
Mens en dier zijn gevat in een beklemmend kader, niet alleen in ruimtelijk opzicht maar ook en vooral in onbegrepen en ook daarom dreigende (familie)relaties. Het perspectief is dat van een teruggetrokken kind dat echter nieuwsgierig genoeg is om vragen op te werpen die ook voor de lezer van belang zijn. Eén van de treffendste voorbeelden is:



*

Dit is gisteren gebeurd.
Mamma en grootmoeder denken dat ik niets hoor,
ze praten over mij.
Mamma zegt:
"Ze zal het niet aankunnen."
Grootmoeder zegt:
"Het moet. Ze heeft het nodig. In het begin
zal het moeilijk zijn, maar ze zal eraan wennen."
Mamma weer:
"Ze is veel te wijs voor haar leeftijd...ze
weet te veel."
Grootmoeder lacht.
"Waarom lach je, mamma?"
Grootmoeder:
"Je kunt niet te wijs zijn. Hier niet, en
nergens niet."
Mamma: "Hoezo?"
Grootmoeder: "Je weet best wat ik bedoel."



Dat doet in eerste instantie denken aan de uitgeklede lyriek van de mannen van Barbarber van een halve eeuw geleden maar Daey Ouwens past schijnbaar losse gespreksfragmenten dwingender toe, persoonlijker, en daarom spannender ook haast ik me eraan toe te voegen.

Een karige zegging is dus essentieel, waarin onverwacht opdoemende beelden voor de ware poëtische flitsen zorgen. Wat te denken bijvoorbeeld van "Vouw de was voor je moeder. / Zet een groot bord kersen op haar hart." Je zou door de soberheid van stijl verwachten dat de dichteres symboliek zo ver mogelijk van zich houdt maar hier word je wel genoopt naar een andere betekenis dan de realistische te zoeken. De was vouwen roept werk op, een verplichting. De toevoegende waarde is, uiteraard, tweeërlei. Er is gereinigd, gezuiverd, én er moet vorm teruggebracht worden, helderheid. Het kan best zijn dat de dichteres het niet als zodanig bedoeld heeft, maar feit is dat kersen al eeuwenlang als erotische verwijzingen fungeren, vooral in de late middeleeuwen. Pien Storm van Leeuwen wijdde daar recent nog aandacht aan in haar selectie van gedichten bij afbeeldingen van Jheronimus Bosch. En ja, hart is zo'n hardnekkig cliché, dat het pas weer begint te kloppen als er bijvoorbeeld vruchten op worden gezet. Hoe dan ook appelleert het aan emotie, beroering, léven.

Daey Ouwens' taalgebruik is niet alleen sober, het is ook, zoals hierboven aangetoond, in dienst gesteld van de kinderlijke ontvangst. Dat register houdt de dichteres consequent tot het einde vol. Tot aan het einde, niet tot en met. In het laatste vers, Epiloog genaamd, komt namelijk een catharsis tot stand, een reiniging misschien maar zeker een bevrijding want daar ontvouwt zich een volwassene. Een afspiegeling van de schrijfster? Voor de waardering van de poëzie maakt het antwoord overigens niet uit.



Mijn vroegste herinnering is denk ik die
aan mijn derde verjaardag. Iemand droeg
mij naar de kamer. Alles was erg blauw.
Op de blauwe meubels viel een zacht licht.
Aan de muur glansde grootvaders stok.
Ik had een vaag besef dat de stok niet
hetzelfde was als de tafel, de stoelen,
het raam. Het was alsof hij ogen had die
naar je keken, en oren die luisterden.

Ik schrijf nu overal.
Ik schrijf onderweg naar mijn werk.
Ik schrijf in mijn kamer, alleen, achter mijn
typemachine.
Maar ik schrijf niet wat ik zou moeten schrijven.

Eigenlijk denk ik dat je pas kunt schrijven als
je helemaal niets weet.



Waarmee we aangeland zijn bij het begin van het boek, de behoefte aan een staat van ‘zijn’ die niet alleen de zintuigen maar ook het denken zou willen uitschakelen. Deze stabilitas loci en alles wat er bijkomt vergelijk ik dan graag met de bijna gesloten O op de omslag. Er is en blijft een kleine opening, een kijkgat, een uiterst beperkte mogelijkheid tot communicatie. Maar: contact! De bundel zelf zou anders natuurlijk ook niet kunnen bestaan. De lezer van deze claustrofiele gedichten zal zich echter wel aan de door Kreek Daey Ouwens ingestelde perimeters moeten houden. En zo’n concessie zou wel eens net zo leerzaam kunnen zijn als de overgave aan de uitweidingen van een dichter die het bereik van een satelliet nastreeft!



KREEK DAEY OUWENS; ‘Ik wil in mijn huis een raam ik wil het raam dichtdoen’; 88 pagina’s; Wereldbibliotheek; Amsterdam; 2016; ISBN: 978 9028 426511; NUR: 306; € 19,99.



Deze recensie verscheen eerder, in april 2016, in het culturele tijdschrift Brabant Cultureel.


Zie voor ruim 1100 recensies, lang en kort, ook de rubriek KRITIEKEN op www.alberthagenaars.nl



maandag 28 maart 2016

ASTRID LAMPE - De taiga zwijntjes



Foto: © Leo van der Noort


EEN LANGE PRIEMENDE VINGER

De balans van Astrid Lampe tussen betrokkenheid en contemplatie


Nog voordat je de nieuwe bundel van Astrid Lampe opent, zit je al met anderhalf raadsel opgescheept. De naam van de dichter en de uitgeverij, de titel en de toevoeging ‘Gedichten’ staan net duidelijk genoeg op de omslag maar de fascinerende foto van een ‘Man uit Dagestan’ van Sergei Prokudin-Gorskii (1863-1944) staat ondersteboven! Deze Russische pionier van de fotografie maakte met medewerking van Nicolaas II luxueuze werkreizen met een trein die tevens van een donkere kamer was voorzien, tot in alle uithoeken van het imperium. De heren waren van zins een zo compleet mogelijk beeld van Ruslands bereik en culturen te geven. De Kaukasische boer/strijder op de afbeelding is een van zijn bekendste opnamen. Leuk en aardig allemaal maar waarom heeft ontwerpster Brigitte Slangen de kiek omgekeerd? Is het een verwijzing naar een omklapprincipe, zowel van de spiegel in de camera als van het politieke systeem in het tsaristische Rusland, op een moment dat de revolutie al smeulde? Zo ja, is het dan daarmee tegelijk een verwijzing naar de manier waarop Lampes poëzie het best kan worden gelezen, namelijk even tegendraads als dat zij schrijft? Er is hoe dan ook sprake van een ontkoppeling, een tweedeling.
Het kleinere raadsel betreft de titel. Je bent geneigd te lezen: De taigazwijntjes. Elk van de drie elementen staat op een aparte regel. We zien echter geen afbreekteken achter taiga. Open je het boek dan zie je dat de inhoud uit twee delen bestaat: 1) De taiga, en 2) De zwijntjes. Er is dus sprake van een dubbele titel, passender gezegd een dubbeltitel. Het moet wel om twee verschillende zaken gaan want taigazwijnen bestaan niet!

De uitgeverij was niet te beroerd om de lezer op aanraden van de maker al in het colofon te laten weten dat “het format” ontleend is aan 'The waste land' van T.S. Eliot. Daarmee wordt o.m. bedoeld dat het eerste deel net zo veel hoofdstukken en regels telt als het Modernistische voorbeeld uit 1922 en tevens dat het tweede evenveel strofen heeft als het aantal regels waarbij aantekeningen richting 'Notes on The Waste Land' zijn geplaatst. Die Notes vormen het tweede deel van Eliots boek. Om geen enkele twijfel aan de juiste opstelling te laten bestaan, bestaat het motto dan ook nog eens uit een citaat van de zowel Amerikaanse als Britse dichter.


                                                       But
O O O O that Shakespeherian Rag-
It’s so elegant
So intelligent



Een rag is een jazzy stuk dansmuziek. De verspringing in de naam, er staat niet Shakespearian, is geen eigen vondst van Eliot en zijn vriend/collega Ezra Pound, die een onevenredig grote rol speelde bij de totstandkoming van dit meesterwerk uit het Interbellum. Nee, het is simpelweg de naam van een populair liedje uit 1912. Dit staat dan trouwens weer niet in de 'Notes'. Eliot mag op z’n conto schrijven dat hij elementen uit alle culturele niveaus in z’n poëzie opnam, in de 'Notes' zijn uitingen van volksvermaak ver te zoeken.
Lampe betoont zich consequent door de 'Notes' in haar eigen werk door te trekken. Het is overigens wel ironisch. Noch Eliot noch Pound wilde er namelijk aantekeningen bij. De eerste publicaties, in de tijdschriften The Criterion en The Dial, kennen die ook niet. Ze werden pas toegevoegd toen de New Yorkse uitgeverij Boni and Liveright Eliot vroeg om aanvullend materiaal, met geen andere reden dan de bundel wat dikker te kunnen maken. 434 Regels voldeden niet om een boekgevoel te krijgen. Zo gezegd zo gedaan. Eliot kreeg er veel spijt van maar vreemd genoeg heeft hij de boekversie toch nooit herzien.

Terug naar Lampe. Werpt zij zoveel lijntjes naar Eliot uit om aan te geven dat zij ook in een caleidoscopische weergave van de werkelijkheid gelooft als enige zinvolle manier om die te doorgronden, omdat de realiteit zelf zo ingewikkeld is? Of wil ze zich er epauletten mee verschaffen? Het is ongetwijfeld het eerste. Dat is ook gemakkelijk te bewijzen, al hoeft een tweede overweging niet helemaal uitgesloten te worden. Ook talenten hebben immers hun idolen. Denk bijvoorbeeld aan de talloze ontleenmomenten van Hugo Claus, de grootmeester in het genre. Die zette met de bundel ‘Heer Everzwijn’ in 1970 al een poëtische verbeelding met dit symbool als uitgangspunt weg, ook in twee delen!
Lampes bundel begint als volgt:



I

nog steeds hangt de camera van het kunstinstituut
boven de bedreigde diersoort
maar je bent er niet
het is lastig schrijven
geen stukje aarde blijft

eten vechten paren en de rest

in het diepe oosten van de slaapzaal
stapelbedden
in volle bloei
zie de jongens staan

het geblaf grimmiger

zoals het licht de kleuren tegen de bergflank aanvlijt
nu blijkt dat zelfs de kritische karekiet
als weerbaarheid tegen verandering
snakt naar beelden:

sparappels, oorlogsweduwen desnoods

niet eenkennig HA
(niet verlegen)
je haar glanst
naarmate het vermogen groeit

ons te verplaatsen

glanst harder…



En zo meandert de tekst, verdeeld over vijf lange gedichten, verder met aan de rechterzijde keurig per tiental de regelnummering, precies als bij de meest becommentarieerde bundel van de vorige eeuw. Die bestond ook uit vijf teksten. Het zou logisch zijn geweest eveneens een notenapparaat op te nemen maar Lampe heeft al een tweede deel. Hier loopt de vergelijking, formeel gesproken, dus spaak.

Welke leeshouding je ook aanneemt, zoekend naar vertrouwde patronen of juist onbevangen, Lampe beproeft hem op alle mogelijke manieren. Ze is ook actief als actrice/regisseuse en ontleent daar ongetwijfeld invloed aan. Ze bepleit een driehoeksverhouding met een grote autonomie voor betekenis, beeld en, in mindere mate, klank. Talrijke associaties en trefwoorden zorgen voor uitzetting en krimp. Enkele pogingen tot een steviger verband, gericht op alleen bovenstaand fragment (laat andere recensenten maar op zwijnenjacht gaan):

De camera kan een veiligheidscamera in een bestaande kunstschool zijn maar verwijst ongetwijfeld ook naar het apparaat van Prokundin-Gorkii. In dat geval wordt het kunstinstituut ironisch bedoeld als de kunstensector, het artistieke wereldje.

Bedreigde diersoort kan slaan op bijna uitgestorven beesten met inbegrip van sommige soorten zwijntjes maar ook op de al dan niet subtiele uitvoering van de hernieuwde Russificatie en dus op de minderheden op o.a. de Kaukasus. Deze benoeming is dan geen doel op zich maar een metafoor voor alle versies van machtsspel vanuit geopolitieke belangen.

Waarom wordt vermeld dat de slaapzaal een diep oosten kent? Tja, de jongensafdeling kan zich in een oostvleugel bevinden maar ook de associatie "Het daghet in den oosten, het lichtet overal” dringt zich op. De betreffende tekst uit het 'Antwerps Liedboek' (1544) heeft als thema de keuze tussen een werelds leven en een kloosterbestaan. Voor in volle bloei “staande” jongens (let op de tweevoudige betekenis) is bij optie twee geen plaats meer. Erotiek verschuift zelfs in slechts enkele woorden van lente naar onheil, als we het geblaf als zodanig opvatten. Een monasterium staat symbool voor ora et labora, voor een afgesloten wereld waarin nooit iets werkelijk verandert.
Los hiervan: de Kaukasus inclusief Dagestan ligt voor ons in het oosten. Daartegen pleit echter dat dit allesbehalve taigagebied is.
Wat is een taiga trouwens precies? Het woord zelf is van Mongoolse stam en betekent naaldwoud. Een andere benaming is boreaal woud. Daarmee wordt een gebied aangeduid van koude en natte streken waarvan de flora dus grotendeels uit pijnbomen bestaat.

En wat doet een karekiet hier? Officieel bestaan er een grote en een kleine soort, ook in de Kaukasus, maar Lampe benoemt hem als een kritische. Een karekiet is een vogel met een schrille zang. De hare, of die van Eliot (die met The waste land een huzarenstukje aan cultuurkritiek ten beste gaf)? Moet de vogel met z’n onaangename roep een tegenhanger zijn van de zoetgevooisde nachtegaal uit de klassieke lyriek, een representant van de om verandering schreeuwende dichtkunst van nu? Of een verwijzing naar de zoete broodjes die politici bakken?
De broedpopulatie van de karekiet is in ons land volgens ornithologen in slechts enkele decennia met maar liefst 90% afgenomen en het verval gaat nog steeds door. Als dat geen bedreigde diersoort is! Mocht Lampe de karekiet voor de dichter of het dichterschap houden, dan lijkt het er niet best uit te zien voor de poëzie, voor haarzelf. Lampes karekiet wil geen verandering, staat voor continuïteit dus, maar snakt toch naar beelden. En hier komen er een paar:

Sparappels en oorlogsweduwen, desnoods. In plaats van clichés als rozen en torenprinsessen? Noteert ze wat er spontaan in haar opkomt of kunnen we, móeten we, er achter koekeloeren? Een poging daartoe…
Sparappels zijn als vruchten symbolen van leven, ze behoren tot de belangrijkste vruchten van de taiga. Oorlogsweduwen, die wel genoeg in de Kaukasus te vinden zijn, van Dagestan tot Tsjetsjenië, vertegenwoordigen de dood. Maar beide hebben gemeen dat ze overleven, de spar/den met zijn immer groene naalden in een voor de mens behoorlijk onherbergzaam gebied, de weduwe als getuige van leed op grote schaal. Zeg zelf, een beeld over de dood is met zo’n weduwe krachtiger dan zonder een rouwende dame.
Er valt met enige goede wil een link te onderkennen tussen de seksuele dreiging (het blaffen wordt immers dreigender) van jongens en de mythe van Attis en Cybele. De laatste werd aanbeden als godin van de met naaldbomen bedekte bergstreken (bergflanken bij Lampe) in Frygië en tevens als heerseres van wilde dieren. Ook zwijnen behoren daar toe. De kans dat Lampe hiervan uitging is natuurlijk erg klein maar haar poëzie maakt dit soort gedachtesprongen alleszins aannemelijk, stuurt er zelfs op aan ze uit te voeren en dat op zich is al een verdienste. Lang niet alle poëzie kan hetzelfde oproepen. In dit verband, Lampe schrijft wel origineel maar ze gooit haar hengel uit in dezelfde vijver als die waar o.a. Martijn Benders, Peter du Gardijn, Wouter Godijn, Onno Kosters en, al veel langer, Piet Gerbrandy, in zitten te vissen.

"Je haar glanst / naarmate het vermogen groeit / ons te verplaatsen" is dan weer heel anders van toon. Dit stukje doet sterk denken aan sommige beelden van Faverey. Alleen het verplaatsen, voorbeeld van verandering bij uitstek, kan verbonden worden met de rest.

Als we stoppen met interpreteren en concreet kijken naar Lampes woordkeuze moeten we constateren dat Lampe lexicaal ook veel omhanden heeft. Ze jongleert met in zwang zijnde woorden (durfkapitalisten, DNA-profiel en muisklik), ingenieuze neologismen (zweetlozing, applausinflatie, waterscha-averij, rugdecolleté) en veel, heel veel Engels (voice-over, pop-up store, slash, toolkit, secret munition, junk-DNA, do not cross). Dat zorgt weliswaar voor een tintelende hedendaagse beleving maar kan met evenveel recht als modieus effectbejag worden afgedaan. Het kan ook ironisch bedoeld zijn. Gelukkig is er tussendoor de nodige humor, maar ook die is vooral talig van aard.

Het profiel van Lampes poëzie wordt niet in het minst bepaald door variërend ritme, vinnige wendingen en ook registerwisselingen. Ze heeft het ergens wel over pelgrims en houtsnijders als symbolen van rust maar die moeten we zien als tegenwicht want Lampes poëzie is juist niet rustig. Integendeel, die drukt de lezer aanhoudend met z’n neus op de grote thematische tegenstellingen van de bundel: verandering - immobiliteit, maatschappelijk engagement - contemplatie, oorlog - vrede, samenvattend: de maalstromen in de wereld versus het kleine geluk dat gevuld kan worden door liefde, rede, een handvol woorden, een paar streken verf, enkele danspassen…






Deel twee, ‘De zwijntjes’, bestaat uit 59 korte stukjes van elk vier regels. Kwartet is misschien te veel gezegd want de regellengte wisselt maximaal, soms staan er woorden zowat tot de naad, soms slechts eentje.



1
wilde grassen komen ons aanwaaien
een blik op het schilderij is voldoende
onzin meent Rusland
retoriek en rood vlees raad ik aan



2
zangzaad zeer teer en zeer zwart
anders
een taigazwijntje of twee een vuile oorlog
als weerbaarheid tegen verandering



3
een bonte zwerm van gasten bevolkt de aanlegsteiger
de hysterische angst voor twee rijen nagels
de fijne nuances tussen trauma en trance
blauw tikt het vreemde de kant aan



Dat beide bundeldelen nauw verbonden zijn ook al is hun vorm heel anders, wordt aangetoond door overeenkomende trefwoorden en symbolen als zangzaad (denk aan de karekiet) en rood vlees (zwijn) en soms een complete regel, zoals hier de herhaling van "weerbaarheid tegen verandering". Ook het contrast inclusief zijbeelden tussen retoriek (rood vlees), die van Poetin en consorten, en zangzaad (zeer teer) valt op. Teer heeft overigens twee betekenissen hier, gezien de volgende woorden.

Over de bundel kun je met gemak een lijvig boek schrijven maar er hoeft alleen al op basis van deze twee fragmenten niet langer getwijfeld te worden aan Lampes intenties. De tegenspraak in haar werk, enerzijds de keuze voor de waarden van “alles wat weerloos is” (dixit Lucebert) en de oproep tot verweer tegen de destructieve krachten, anderzijds het besef dat de reactie dan wel doordacht, flexibel, verbeeldingsrijk en vooral overtuigend moet zijn, maakt ‘De taiga zwijntjes’ extra spannend.
Of nou een toevallige lezer het boek opent of een lid van de harde kern van de poëzie; ontsluiting van de bundel is grotendeels afhankelijk van de bereidwilligheid om zélf open te staan voor een redelijk ongewone vorm van communicatie, maar wel een die vrijwel steeds met een lange vinger en scherpe nagel in hoogst actuele zaken priemt!


ASTRID LAMPE; ‘De taiga zwijntjes’; 52pagina’s; Querido; Amsterdam; 2015; ISBN: 978 90 214 00457; NUR: 306; € 17,99.


Deze recensie verscheen in een ingekorte versie, in februari 2016, in het literaire tijdschrift Brabant Cultureel, jrg. 65, no. 1:

Zie voor ruim 1000 recensies, lang en kort, ook www.alberthagenaars.nl