dinsdag 4 mei 2010

PHILIPPE CAILLIAU




VRUCHTBARE VORMEN VAN ZWIJGEN

De vernieuwing van Philippe Cailliau

De omloop van poëziebundels gaat net als die van romans zo snel dat je al van een comeback mag spreken als een dichter na vijf, zes jaar pas een nieuwe titel publiceert. Je zou dat dan zelfs móeten denken als je je realiseert dat er, zoals in het geval van de Brusselse dichter Philippe Cailliau (º1954, Kongo) respectievelijk 15 en 10 jaar tussen de laatste drie publicaties liggen. Maar kun je nog steeds van een comeback spreken wanneer de dichter in kwestie zich na een lange incubatie ontpopt in een andere soort poëzie?

Vanaf zijn debuut in 1976, 'De moordenaar en zijn vroedvrouw', speelde de auteur, toen nog Phil Cailliau geheten, ongeveer vijf jaar lang als essayist, criticus en dichter een duidelijke rol in de voorhoede van de zelfkritische poëzie, een rol die het meest pregnant tot uiting kwam door de verschijning van de dubbelbundel 'De leer van Etymon & Hoe meervoudig dit lieve lichaam' in 1980. Op basis van alleen al deze titels (etymon is de Griekse aanduiding voor woordkern) kun je concluderen dat het om onderzoeken in achtereenvolgens de diepte en de breedte gaat.

Ook zijn in 1975 geschreven maar pas in 1982 uitgegeven 'CIA' ofwel 'Compagnie van de Internationale Amnestie', een lang gedicht voor vier stemmen waarin afwisselend een Presentator, Spreker, Verteller en Commentator optreden, benadrukt dat Cailliau niet bepaald aan een tunnelvisie lijdt.
Wel is opmerkelijk dat de zegging van 'CIA' veel kariger is dan die van het gelijktijdig ontstane werk van de andere bundels. Het is dit ingehouden taalgebruik waar ik aan moest denken toen ik in 1997, na lang wachten op Cailliau’s nieuwe teksten, het uitgaafje 'Randstad living' onder ogen kreeg. Ik kies de omschrijving uitgaafje in plaats van bundel omdat het betreffende cahier naast enkele door Jan Kempenaers gemaakte foto's van Ganshoren slechts zes gedichten van Cailliau over dezelfde Brusselse wijk bevat, samen 'Impressies van een slaapstad' genoemd. Verdwenen bleken de deels op zichzelf betrokken taalvragen, de zucht naar het experiment, de drang om de lezer uit een puur consumerende leeshouding te trekken. In plaats daarvan bediende Caillau zich nu van een onvervalst parlando met hoogstens een ironische knipoog als nalatenschap van de modernistische onderzoeker. Het eerste gedicht zet direct de toon: Allicht spreek je / geen woord te veel / want nergens is het leven / je zo lief // als in een pastorale / met wat heet / en oud gefluister.Dat hij ondanks de uiterlijk eerder brave beeldspraak z'n fascinatie voor de thematiek van leven en dood en technisch raffinement niet had verloren, bewijzen de slotregels van het zesde gedicht: Het is of ik hier steeds geboren ben, / of ik voortdurend stierf / om weer te keren naar de plaats // waar ik steeds weer geboren lijk. Let ook op de dubbele betekenis van dat laatste woord. Als je weet hoeveel jaren van ziekte en pijn Cailliau al heeft ondergaan, realiseer je je ook dat dit geen vrijblijvende frasen zijn. Kennis van zijn precaire gezondheid geeft de onderwerpen van het werk extra overtuigingskracht, al heeft het die externe informatie niet nodig. Belangrijk ook is de regel in het woord vooraf: "Met deze 'Impressies van een slaapstad' maakt Philippe Cailliau zijn rentree in de wereld van de poëzie." Hier stond hij dus toe dat een comeback werd bedoeld, een idee dat versterkt werd door de langere voornaam.

En toen werd het weer lang stil. Pas tien jaar later namelijk gaf de Antwerpse uitgeverij Ampersand & Tilde in haar reeks Oostakkerse Cahiers 'Zwijgboek' uit, de eerste echte boekuitgave na 'Wedersamenstelling' (1981). Verwijst 'Zwijgboek' naar de veronderstelde tijd van afgewendheid van het literaire wereldje terwijl er ondertussen een boek geschreven werd? Het kan zijn, net zo goed als dat hij consequent de lijn heeft doorgetrokken van de volgende regels in 'Wedersamenstelling': Je bijdrage in mijn zwijgtijd / mijn moeilijk wordend praten. Hier, en dat is verrassend, hangt het zwijgen niet af van één persoon. Of toch, en kent die dan meerdere perspectieven? Er staat daar bovendien een complete reeks die 'Oneindig stil' heet. Het is dus niet zo dat de benaming 'Zwijgboek' uit de lucht is komen vallen. Daarmee kan eveneens van een comeback worden gesproken.

In elk geval is Cailliau er, net als zoveel voormalige experimenteel gerichte kompanen, van doordrongen geraakt, dat een dichter op de eerste plaats een verhaal heeft te vertellen en dat zo duidelijk mogelijk moet doen, zonder afleidingsmanoeuvres, hoe boeiend op zich ook. In de loop der jaren is de vorm steeds meer ondergeschikt gemaakt aan de inhoud, al zijn z'n teksten zeker geen proza. Bijna dertig jaar geleden was hij zich overigens al bewust van de spanning tussen beide genres. Zo begint 'De leer van Etymon' met een bericht 'Aan de lezer' in twee vormen: links in strofen, rechts als alinea's van een prozablok.

In 'De leer van Etymon' gewaagt hij nog van: Kakelende Venus verscheen in Woorden, / verschijnt nu in klakkeltong / in dagbladbladen ... // Ze heeft het schreien afgeleerd. / gebaard: Maria hoerenjong.
In 'Wedersamenstelling' is het vrouwenbeeld al getemperd: Ze had zich zwart omrand, met lijkgeur / toen omringd. Getuige van haar lust: / adrenaline op het spiegelvlak, / chronische paranoïa in mijn bekken. // Haar ondergoed. Gek: lingerie bewaren, / zoals het woord: elke dag vernieuwd / en nachtschuw. Geschiedenis / in de vezels, galax in de cel. Cailliau gaat zich hier net als bijvoorbeeld de vroege Frank Pollet nog te buiten aan wat de meeste lezers ten onrechte onpoëtische woorden zouden willen noemen, maar de prosodie is al een stuk rustiger en traditioneler. In 'Zwijgboek' nu niet veel manifestaties meer van de vrouw als hoer of geliefde maar een mijmeren over een dochter, die naar het Griekse sophia, (levens)wijsheid, is genoemd. Wat goed past die naam bij zowel het onderstaande gedicht als des dichters centrale thematiek. In het oude Christendom namelijk werd hagia sophia ook wel als aanduiding voor de mensgeworden twééde persoon der Drie-eenheid gebruikt. Tweede persoon, het personage van de wederopstanding? Grammaticaal wordt door Cailliau de tweede persoon enkelvoud uitgebuit, die hier tot drie keer toe (maar elke keer anders) in het einde opduikt. Waarom anders zou Cailliau, gezien haar omschrijving in ‘Sophie 1’ inhoudelijk volkomen overbodig, vermelden: dochtertje van jou? Dat kan geen toeval zijn, zeker niet als je je realiseert dat de tweede persoon enkelvoud in vrijwel elk gedicht van ‘Zwijgboek’ optreedt maar juist níet in de rest van Sophie 2! Ook al zou de dichter hier zelf van opkijken, zijn dit soort effecten direct uit diens onbewuste afkomstig, zijn poëzie moet wel complimenten opgespeld krijgen, omdat ze op veel plaatsen aanleiding geeft tot dergelijke goed passende overwegingen.

SOPHIE 2

Hoewel van slagen en verwondingen
zij dagelijks meer ziet op tv,
hoewel zij op haar negen
almaar minder te misleiden valt,

is zij nog steeds als onbespoten fruit:
met gaatjes, sneetjes van een vogelbek,
met builtjes en een vlek.
Zij leiden echter niet tot kramp of diarree
zoals dat wel gebeurt bij velen na hun dertig.

Haar korte rokjes zijn alleen maar mooi,
haar billetjes zijn ongeschonden.
Haar lach haar stem haar huid zijn niet te koop.
Haar woordenschat tien pluchen honden
en een slangenhemd

Zo leeft zij verder, dochtertje van jou,
en ga jij, alleen, in haar genenspel
je toekomst tegemoet.


Eenzelfde soort sprongen naar minder spanning en contrast maar tegelijk naar een soepeler verlopend spel met betekenislagen geldt ook voor de andere onderwerpen. Die zijn zozeer met elkaar verstrengeld dat ze moeilijk zijn te scheiden. 'Sophie' gaat weliswaar over een dochter maar loopt dus uit in het eigen einde, dat door haar een toekomst wordt. Dan zijn we alweer bij de voor hem zo belangrijke thematiek van leven en dood beland, die vanaf het prille begin als een rode lijn door zijn oeuvre kronkelt.

'Zwijgboek' bestaat uit 2 afdelingen: 'Balanceren op het slappe koord' en 'Brieven en andere scans'. Sommige gedichten daar kunnen inderdaad brieven genoemd worden, geschreven als ze zijn aan o.a. ‘een pasgeborene’, een ‘Erik V.’, een stervende’, ‘een afgestorvene’ maar of de rest terecht uit scans bestaat kun je je afvragen. De scheiding is niet altijd even duidelijk. Nogal wat teksten uit de tweede afdeling hadden namelijk met evenveel recht in de eerste kunnen staan. Daar had de uitgever meer helderheid kunnen eisen.
Globaal bestaat 'Balanceren op het slappe koord' uit teksten waarin een dochter of een meisje de toegesproken persoon is en plaats- en tijdbepalingen belangrijk zijn. Hier vinden we ook het eerder belangrijke dan geslaagde gedicht 'Tijd'. Het speelt een grote rol omdat de titel 'Zwijgboek' deels verklaard wordt. Ik heb niet veel op met de zwakke beeldspraak in de regels 5 en 6, het origineel verwoorde slot met z’n perfecte contrastpunt maakt echter weer veel goed.

TIJD

Jij, die lang behoorde tot het zwijgend contingent,
die een horloge droeg aan elke pols
en toch de tijd een halt toeriep. Jij
die je eigen interventiemacht deed bivakkeren
in een wiegende woestijn waarin zelfs schrijfgerief
wist weg te smelten. En
die het zwijgen had geleerd omdat elk woord
je dichter brengt bij slot en dood.

Zo'n stilte van de duiker.

Je wist dat wachtwoorden worden bedacht
om het ontbreken van een daad van lef
te maskeren.

Waar is je stilte nu,
nu vrouwen boven veertig
schreeuwen door je keel?


In het eerste luik staat ook het titelgedicht, dat dus niet onbesproken mag blijven. Van meet af aan roept het vragen op, fascineert het. De eerste regel bijvoorbeeld valt op twee manieren te lezen, een keer met het accent op 'je' en een keer op 'in'. Tevens wordt hier de bundel waarin het staat ontkend. Die ontstaat pas door het ontbreken ervan in kaart te brengen! Vandaar ook het belangrijke woord 'meer' in de voorlaatste regel, dat het juist geboren 'Zwijgboek' alweer om zeep helpt. Zo scheert Cailliau regelmatig over de filosofie.

ZWIJGBOEK

Er is geen zwijgboek om je in te schrijven.
Je bent geboren, ooit geschoren ben je voor de winter.
En wit blijft alles stil, blijft alles zwijgen.
Gelezen heb je veel. Veel ogen heb je veel gelezen.

Over zoveel jaren ben je uitgeteld, aldus het spreekboek.
Een en ander is daarover neergepend. Je heb gezongen,
gesprongen en gewipt. Voor het goede doel gesnotterd
en gehijgd. Meermaals heb je Ciao! geschreeuwd
en soms gestameld.

Dagen heb je rondgestrooid, verhalen ingeslikt,
Crux interpretum op een muur gespoten.
Cassandra mocht steeds weer de sluiers werpen
over jou. De sluiers van een sprakeloos gebrek.

Binnenkort wordt alles stil, wordt alles zwijgen
of verzwegen rode ogen. Maar niet Cassandra
neemt het woord. Zij valt erin.

Over zoveel tijden word je nog onvindbaar.
Er is dan toch geen zwijgboek meer

om in te schrijven


En daarom staat er geen punt achter het laatste woord, schijnbaar een detail maar poëticaal een credo! De 'je' van de eerste regel is nu namelijk daadwerkelijk verdwenen maar blijkbaar niet definitief.
Hier wordt het zwijgen niet zozeer verbonden met niet meer praten of dichten of publiceren maar met de dood. Die betekent voor Cailliau, gezien ook het slot van 'Sophie', wel het eind van de verzamelde personages van het subject in dit bestaan maar niet het einde van diens genen. De bouwstenen van het leven gaan ook bij deze eigenzinnige dichter nooit teloor maar leven in andere vorm voort in volgende bundels.

Wat maakt het uit, afgezet tegen deze achtergrond, hoe lang Cailliau aan een gedicht schrijft en schaaft, hoeveel tijd hij wil nemen voor een nieuwe bundel? Wat maakt dat uit, zolang het resultaat er maar toe doet.
Ik lees liever, veel liever, een bundel die tien jaar na z'n voorganger getuigenis aflegt van een relevante ontwikkeling dan een die op de belangrijkste punten niet afwijkt van gedichten die een jaar daarvoor verschenen.
Ik kijk daarom nu al uit naar de volgende uitgave van Cailliau, hopelijk maak ik die nog mee! Ondertussen gun ik hem een vruchtbare nieuwe ‘goback’.


ZWIJGBOEK, Philippe Cailliau; Uitgeverij bf Ampersand & Tilde; 2007. ISBN niet vermeld; 56 blz.

Albert Hagenaars, De Verborgen Hoek, jrg. 1, no. 2, 2008.

www.alberthagenaars.nl

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen