dinsdag 17 oktober 2017

BARNEY AGERBEEK - Een warme oostenwind



Foto: © Albert Hagenaars



EEN TWEEVOUDIG CREDO

Het heeft er alle schijn van dat Barney Agerbeek (1948, Surabaya) als late debutant aan een inhaalslag bezig is. Hij debuteerde in 2013 met ‘Schaduw van schijn’ en sindsdien is er vrijwel elk jaar een titel verschenen, verdeeld over verhalen, een roman en poëzie. Wie zijn werk kent, al is het maar één boek, weet dat de auteur gefascineerd is door verschillende culturen, preciezer gezegd, door in elkaar verglijdende maar ook grijpende en bijtende waardensystemen.

In zijn eerste poëziebundel ‘Rood en wit met blauw’, eveneens verschenen bij “de kleurrijkste uitgeverij van het land”, zinderde de spanning tussen zijn geboorteland Indonesië, dat hij vaak bezoekt, en Nederland, waar hij al vanaf zijn vierde woont.
In ‘Een warme oostenwind’, van een intrigerende omslag voorzien door Jan van Waarden, werkte hij een drieslag uit. Nu is er ook de kruiende werking van Polen, niet alleen het moederland van Agerbeeks echtgenote, die al tientallen jaren geleden onder moeilijke omstandigheden “overkwam”, maar ook dat van een paar honderdduizend arbeidsimmigranten die in veel gevallen eveneens verkozen te blijven. Net als o.a. de Indonesiërs en Indo’s, de Turken en Marokkanen, de Surinamers en Antillianen leveren zij een bijdrage aan de ontwikkeling van Nederland, oefenen ze er een culturele invloed op uit.
Daarom ditmaal de meeste aandacht voor deze toegevoegde Poolse waarde, die, evengoed als de Indonesische, oosterse warmte aanvoert. Dat gebeurt, literair gesproken, ook letterlijk want aan het begin van het boek staat een citaat van Adam Zagajewski en achterin zijn twee gedichten tweetalig opgenomen. Bovendien is een surrealistisch aandoende illustratie van Anna Gwiazda afgebeeld, zus van Andrzej Gwiazda, voormalig partijstrateeg van Solidarność. Op haar tekening groeien wortels dwars door een verstikkende ijslaag. Als dat geen symbool van hoop is! Hij staat, allesbehalve toevallig, naast een gedicht met de titel ‘Tralies in de deuren’.

Het citaat, vertaald door Gerard Rasch, luidt als volgt:



Bezing de verminkte wereld
en het grijze veertje, dat een lijster heeft verloren,
en het zachte licht dat dwaalt en verschijnt
en steeds terugkomt.



Een fragment uit het tweetalige ‘Bjirjóza bjirjóza bjirjóza’ bevat eveneens een aan de natuur ontleend beeld maar dat refereert aan het belang van samenwerking:



bjirjózy rjédko stoját odinóko
obýtsjno vdwojóm i vtrojóm
dróeg oe dróega, íli vsje vmjéstje v ljesóe



In het Nederlands wordt dat:



berken staan zelden alleen
meestal met z’n tweeën of drieën
bij elkaar of samen in een bos.



Voor het geval iemand de boodschap mocht ontgaan heeft Agerbeek hier wel heel sterk de nadruk op gelegd. Waar “met z’n tweeën of drieën” al genoeg is, genoeg zou moeten zijn, geeft hij nog een aanvulling: “bij elkaar” en “samen”, gescheiden door het voegwoord “of”, zodat hij de lezer aanspoort eens goed na te denken over het verschil tussen die twee toevoegingen. Je kunt er een cumulatie in zien want “bij elkaar” is sterker dan de voorgaande woorden maar “samen” het sterkst van de drie.







Als geboren verteller weet Agerbeek zijn zinnen een aansprekende melodie te geven. Complete fragmenten zijn soms kleine verhaaltjes. De overdracht van de boodschap is voor hem belangrijker dan het taalspel op zich. Technische foefjes, en die zijn er volop (zie onder), hebben een dienend karakter, staan niet op zich. Dat zou te vrijblijvend zijn.
Niet voor niets nam hij een principiële uitspraak van de Chinese kunstenaar Ai Weiwei over: “Als mijn kunst niks te maken heeft met de pijn en het verdriet van de mensen, wat is dan nog het belang van kunst?”

Agerbeek laat de vernieling van Rotterdam reflecteren in die van Warschau, verwijst naar de opkomst en overwinning van Solidarność maar ook naar de repressie en het doorgeslagen eigenbelang die momenteel door Polen vlagen. In een interview merkte hij daarover treffend op: Die euforie is heden ten dage uitgemond in xenofobie, sluiting van de grenzen voor vluchtelingen. En de machtige, katholieke kerk zwijgt in alle talen. Dat is ‘de witte wereld en het scheve kruis’ uit het gedicht Zwarte Madonna.

Meer dan enige andere tekst in het boek belichaamt genoemd gedicht over de jaarlijks door miljoenen pelgrims bezichtigde icoon in het klooster Jasna Góra de ziel van het traditionele Polen, die maar al te goed het belang van geopolitieke beslissingen en geweld kent maar minstens zo sterk doordrongen is van het verlangen naar innigheid, harmonie en respect voor andere bronnen van ervaring dan de zintuiglijk waarneembare wereld. Daardoor fungeert dit vers tevens als een tegenhanger van het aanwakkeren van onrust en angst en verdeeldheid:



ZWARTE MADONNA

hoog de stilte van het glas in lood
zwak kaarslicht glinstert in een nis

verspreid, het prevelen van gebeden
met vroom gevouwen handen

oneindig, de adem ingehouden
bij haar verschijning

vloeibaar, dissonanten lossen op
in verleidelijke leegte

als moeder van donker en licht
zorgt zij voor het tegenwicht

in een witte wereld waar het kruis scheef hangt
Matka Boska Częstochowkska



Agerbeek wil zich dan niet laten voorstaan op het principe van kunst omwille van de kunst, het is mede door zijn literaire techniek dat deze strofen het meest poëtische moment van de bundel vormen: let bijvoorbeeld op het spel van zwart en wit, donker en licht, groot en klein (kerkschip en nis), de suggestieve klankovereenkomst in oneindig – ingehouden – verschijning, het eindrijm in licht en tegenwicht en de prolepsis van de woorden verspreid – oneindig – vloeibaar, die zo een onderliggende bedoeling door laten schemeren.
Ook al is de zegging bedrieglijk eenvoudig, dit alles zit ingenieus in elkaar. De vakmatige, vooruit artistieke aanpak valt niet op maar vervult wel juist hierdoor versterkt z’n taak.

Kunst kan niet zonder aansluiting op vreugde, pijn, geluk en verdriet nee maar omgekeerd zou de menselijke ervaring onvergelijkbaar veel armer zijn zonder het instinct en de vaardigheden die kunst tot een inzichtelijke beleving kunnen maken.

Barney Agerbeek legt er in alles wat hij schrijft getuigenis van af dat dit ook zíjn credo is.


BARNEY AGERBEEK; ‘Een warme oostenwind’; 72 pagina’s; Uitgeverij In de Knipscheer, Haarlem; 2017; ISBN: 978-90-62-659579.



www.alberthagenaars.nl

Zie ook:
Frozen Poets - Beelden, graven en andere sporen van dichters

Nederlandstalige gedichten in Indonesische vertaling


zaterdag 27 mei 2017

ALAIN DELMOTTE - Warhoofds gekkenwerk



Foto: Geertje Hoefnagels


EEN ODE AAN HET POETISCH VERNUFT

Albert Hagenaars over 'Warhoofds gekkenwerk'

Er bestaan verschillende meningen over wat poëtisch proza zou mogen heten of hoe prozagedichten beschreven kunnen worden. Meestal wordt gewezen op het belang van een bovengemiddelde frequentie van beeldspraak en een sterk aangezet ritme, lees de muzikaliteit, waarmee het amfibische genre zich onderscheidt van korte verhalen. Het ontbreken van formele kenmerken als strofen wijst dan op het verschil met poëzie.

Alain Delmotte (1957, Kortrijk), die al meer met dit bijltje heeft gehakt, kiest voor de benaming prozagedichten maar voegt er "prozastukken, schetsen, notities, improvisaties, clowneske ingrepen, satire, hyperbolen" aan toe als ondertitel van zijn bundel 'Warhoofds gekkenwerk'. Los van het feit dat deze elementen met een zekere tolerantie ook allemaal wel gezien kunnen worden in zijn nieuwe boek, geeft de opsomming tevens aan dat we vooral niet te zwaar moeten tillen aan een definiëring. Het gaat om de beleving van de leespraktijk maar die staat gapend wijd open op het leven buiten boek en scherm en mag zich versterkt weten door de verwijzing in het dankwoord naar Buster Keaton (vaudeville-artiest, comedian en regisseur), Henri Michaux (auteur en schilder met een grote aandacht voor psychische experimenten) en Clément Rosset (filosoof en auteur, die zich richtte op o.a. de verhouding tussen werkelijkheid en illusie).

De ondertitel suggereert een ratjetoe aan tekstmateriaal maar de opzet van het boek is alvast opmerkelijk vormvast. Delmotte serveert 9 cycli of, afhankelijk van het standpunt dat je wilt innemen, 9 hoofdstukken. Die zijn onderverdeeld in genummerde strofen. Of alinea's. De kortste tellen slechts enkele woorden, de langste vier regels, behalve in het slotdeel. Meestal betreft het vier tot 10 alinea's, in één geval 19 en in het slotstuk weet je dat niet zeker omdat hier ineens geen nummering meer is en de tekst doorloopt op de volgende pagina. Dit laatste deel onderscheidt zich ook nog eens omdat hier de langste alinea's staan, met een maximum van 7 regels. Een finale!

Elk bundeldeel heeft een titel en steevast een ondertitel. Deel 1 heet bijvoorbeeld ‘Petit portrait à propos d'une poire’. Er onder staat ‘Warhoofd schetst zijn zelfportret’. Het laatste deel is getiteld ‘Vandaag doet ons dat nog geen kwaad’ gevolgd door ‘Warhoofd improviseert een toespraak en heft zonder morsen het glas’. In elke ondertitel is sprake van een personage Warhoofd, wat verwijst naar onvermogen of onwil om logisch te opereren. Dat er 9 delen zijn heeft wellicht te maken met de vierde titel: ‘Negen levens - Warhoofd probeert die alle uit’. Dan is de mogelijkheid niet denkbeeldig dat Delmotte hier naar zichzelf of naar de dichter in hem verwijst.

De eerste drie alinea's van het openingsdeel luiden als volgt:


1
Hij is bedreven in het nooit au sérieux worden genomen. Dat er met hem geen rekening wordt gehouden, hij smeekt erom, het is zijn zegen.

Van opzij worden geschoven maakt hij een zaak. Plichtsgetrouw behoort zich laten bedotten tot zijn dagelijkse taken.

Koste wat kost kickt hij op zich uitgerangeerd voelen.

Kunstzinnig en deskundig in gekkenwerk trekt hij weloverwogen meestal aan het kortste eind.

Dat hij vandaag alweer geen gehoor kon vinden, maakt zijn dag goed. Maakt zijn dag af.



2
Stoten onder de gordel: voor geen geld in de wereld zou hij die willen missen.

Blunders, flaters, zijn mond voorbijpraten, ondoordachte uitlatingen, allemaal maakt het, slim bedacht, deel uit van zijn tactisch arsenaal.

Voor de voeten worden gelopen, is hem een niet te verwoorden zaligheid: hij tekent ervoor.

Noodlot houdt hem bezig. De worp, de gril, de meewarige lol trekt hem daarin aan.

Langs de weg die hij gaat, trapt hij in elke drol. Hij vermoedt dat het de zijne zijn.

Dankbaar is hij voor elke tegenslag en voor wie hem gretig kan manipuleren.



3
Hij is schatrijk aan sores.

Boegeroep zijn richting uit? Hij geeft het toe - een genoegen.

Hij troost zich vaak met de gedachte aan een tegen hem gericht complot.



Duidelijk is dat Delmotte zich niet veel gelegen laat liggen aan lyrische hulpmiddelen, rijm bijvoorbeeld of harmonieuze ritme-patronen. Waar wel klankovereenkomst is, doet dat eerder als toeval aan, zoals in "zijne zijn" of de herhaalde oe-klanken in de voorlaatste regel. Hoe knap de uitgave technisch ook in elkaar is gestoken, het toeval zou natuurlijk niet mogen ontbreken in het rijtje van de ondertitel want het is één van de stutten van het absurde. De vraag is wel in welke mate de doorgaans alles controlerende Delmotte toeval wil toelaten.
Ook sfeer, nog zorgvuldig gezocht in de eerste probeersels van één van de grondleggers van het genre, 'Le Spleen de Paris' van Charles Baudelaire, lijkt niet te zijn beoogd. Toch zal de lezer moeten beamen dat het hier niet zomaar om proza gaat. Daarvoor zijn allereerst de vele witregels en het ontbreken van een causale samenhang en chronologie tussen de mededelingen verantwoordelijk. Daarnaast valt de voorkeur voor inversie op. Tenslotte spant Delmotte vaak passieve zinnen voor z’n karretje, in de eerste drie zinnen al drie maal!







In de beschrijving van het hij-personage vinden de handelingen simultaan plaats, er is nauwelijks ontwikkeling, wat juist wel een kenmerk is van wat we onder gangbaar proza verstaan. De nadruk komt te liggen op het zijn en, gekoppeld aan de lijdende vorm, op het ondergaan. Maar pas op, ook dit wordt gebruikt, Warhoofd waarschuwt niet voor niets: “allemaal maakt het, slim bedacht, deel uit van zijn tactisch arsenaal.”

Het woord inversie viel al. Die komt bij Delmotte vaak niet natuurlijk over maar gezocht, zelfs doorwrocht zoals in “Van opzij worden geschoven maakt hij een zaak”. Zo'n zin leest niet fijn, integendeel. De schrijver is er dan ook niet op uit om de lezer te behagen, in een aangenaam badje van herkenning te leggen, maar om te ontregelen, de lezer te dwingen na te denken, te herlezen, door het karige gebruik van signaalwoorden te prikkelen tot het aangaan van persoonlijke verbanden, kortom om op avontuur te gaan. Geen dankbaarder perspectief voor zo'n aanpak dan dat van een warhoofd, een nar, iemand die buiten de dagelijkse werkelijkheid gehouden wordt, en die dat, autonoom als hij moet zijn, "een zegen" vindt, het op zijn eigen manier exploiteert, zoals elke dichter moet doen. Delmotte gaat ver in het determineren van zijn hoofdpersoon. Het hele openingsdeel is er alvast aan gewijd.

Deel twee is getooid met de vermakelijke titels ‘Zeg eens wonden’ – ‘Warhoofds vragen voor een interview met de wonden’. Hierin gaat hij over op het subject jullie, dat veelvuldig wordt gebruikt. Hier ook veranderen de mededelingen in vraagzinnen. De openingsstrofe luidt:



Zeg eens wonden: is pijn jullie tot bezieling? Is pijn jullie bewustzijn? Of zijn jullie het bewustzijn van pijn? Want, ja, hebben jullie wel weet van jullie bestaan als wonden?



In de verantwoording achterin staat opgenomen dat dit deel z'n aanleiding vond in 'De kruisiging' van Matthias Grünewalde (ca 1470 – 1528), een retabel dat tegenwoordig in het Unterlinden-museum in Colmar is te vinden.
We zien dus dat Warhoofd weliswaar wonden aanspreekt maar door het wegvallen van de aanhef in het vervolg voelen de lezers zich, al is het dan misschien onderhuids, steeds zélf aangesproken. Ze worden gaandeweg wonden, of beschadigde personages. Ze zullen in de hagel van vragen deels bewust en deels onbewust toch antwoorden proberen te vinden. Wat te zeggen van:



Vormen jullie eensgezind een welwillende gemeenschap van kwaadwilligheid? Beconcurreren jullie elkaar? En willen jullie allemaal de diepste zijn?

Planten jullie je voort? Planten jullie je in iemands kinderen voort? Of zijn jullie wat iemand nalaat? Wat iemand bij zijn aanvang erft?

Legt iemand jullie een limiet op? Of zoeken jullie al naargelang de omstandigheden zelf de limiet uit? Of zijn jullie datgene wat in de limiet is bereikt?




Ik vroeg me aanvankelijk af of het aanwenden van een enkelvoudige aanspreektitel, jij of u of eventueel gij, niet directer en daarmee effectiever was geweest maar dat zou afbreuk doen aan de veelvuldigheid van de soorten schade. Daarnaast vervalt dan het gesuggereerde belang van het sociale handelen, de spanning tussen het individu en de gemeenschap. In dit opzicht ontpopt Delmotte zich als een cultuurcriticus. Dit is een geschikt moment om te wijzen op de veel voorkomende toepassing van het wederkerende voornaamwoord 'zich', de woordsoort par excellence voor reflectie.

Deel 3 bevat geen enkele vraagzin meer. Noch een aanhef, óf die is paradigmatisch geworden: wie het schoentje past, trekke het aan. Onderstaand fragment past wonderwel bij deze veronderstelling:



Voor wie ernaar op zoek mocht zijn: van een handvol tirannen werden in vrieskamers zaadcellen vergaard. Beschikbaar zijn eicellen van zowel Medusa als Medea.

Wie in vitro een en ander weet te combineren: succes ermee
.



Zo kent elk deel weer andere uitgangspunten, en deels ook stijleigenaardigheden. Allemaal bij elkaar genomen vormen ze een heterogeen geheel van een onderzoek naar de staat van zijn van de mens, van de groep, van de maatschappij.

Alain Delmotte heeft niettegenstaande zijn humor, variërend van lichte spot tot absurdisme, niet bepaald een vrolijke bundel samengesteld. De wereld om ons heen is dan ook niet bepaald een Cocagne. Net als andere kunstdisciplines is het de poëzie evenwel gegeven om met een dergelijk uitgangspunt een domein te creëren waarin de lezer of luisteraar de positieve sensatie van het ontdekken kan ondergaan, tal van Aha-erlebnissen omzetten, in zichzelf een Keaton of Rosset of, met evenveel geldigheid, een Delmotte ontwaren.

Zoveel is helder, ‘Warhoofds gekkenwerk’ is een originele en, gezien o.a. Delmottes soortgelijke publicaties, ook authentiek overkomende bundel. Niemand schrijft als hij. Oorspronkelijk werk is dan wel per definitie interessant maar niet per definitie literair geslaagd. In dit geval hoeft over de kwaliteit echter geen twijfel te bestaan. Daarvoor zijn er teveel factoren die in Delmottes voordeel werken. Ik noem: de inzet, de uitvoering, de vasthoudendheid en, door dit alles heen, het vernuft. Ja, ‘Warhoofds gekkenwerk’ kun je ook een ode aan het poëtisch vernuft noemen. Bij deze!



Alain Delmotte, Warhoofds gekkenwerk; Uitgave: Stanza; 2017; 64 pp; ISBN: 978-94-90401-34-4



Klik hier voor de recensie van Dirk De Geest

Klik hier voor de recensie van Erick Kila

Klik hier voor de recensie van Hans Puper


Zie ook:
Frozen Poets - Beelden, graven en andere sporen van dichters

Nederlandstalige gedichten in Indonesische vertaling

Zie voor ruim 1100 recensies, lang en kort, ook de rubriek KRITIEKEN op www.alberthagenaars.nl



zaterdag 18 maart 2017

PAUL VERLAINE - Biblio-sonnets



Foto: Willem Witsen, 1892.


IRONISCHE PASSIE VOOR BOEKEN

De Franse dichter Paul Verlaine kreeg aan het eind van de 19e eeuw een opdracht om van te smullen: het schrijven van een cyclus gedichten over bibliofilie. Frappant was dat hij zelf weinig waarde hechtte aan papieren uitgaven, het grootste deel van z’n leven nauwelijks boeken en bundels bezat. Dat zal er mede de reden van zijn geweest dat hij het onderwerp met meer ironie benaderde dan menig liefhebber lief was. Dat garandeerde een spanningsveld waar vertaler Martin Hulsenboom zijn talent op beproefde.

Door Albert Hagenaars


"De trein zet zich opnieuw in beweging en voorgoed rijden we het rijk binnen van Hare jonge Majesteit koningin Wilhelmina, eerste van die naam. // …ik ging voor het raam staan. Mens, hoe anders waren ze geworden die vergezichten! Een eindeloze bebloede, vergulde uitgestrektheid water, even vergroend door de laatste inspanning van de zonsondergang, lag onbeweeglijk voor me, met zwarte zeilen van nauwelijks bewegende boten in het groeiende donker en de neerslaande schemernevels. Dit aan de linkerkant. Rechts hetzelfde schouwspel. Een eindeloze ijzeren brug, waar de trein langzaam over reed met regelmatig geluid, machtig bijna, precies door de regelmaat in die macht...”

Met deze in 1978 door Karel Jonckheere vertaalde regels uit 'Quinze jours en Hollande' beschreef Paul Verlaine (1844 - 1896) zijn passage door Noord-Brabant, tot en met de brug bij Moerdijk. Hij kwam op uitnodiging van de voormannen van De Nieuwe Gids een paar weken naar Nederland om conferenties in Den Haag, Leiden en Amsterdam te geven. Behalve bovengenoemd boek wijdde hij ook enkele verzen aan het bezoek. Het was zijn laatste reis naar een hem onbekend land. Er volgde nog wel een trip naar Engeland, waar hij eerder had gewoond en gewerkt. Niet lang hierna boog hij zich over zijn laatste gedichten: de 'Biblio-Sonnets', die door Martin Hulsenboom onlangs in het Nederlands werden vertaald. Deze bestelde verzen over het onderwerp bibliofilie vormen het sluitstuk van een literair traject dat ondanks de korte levensduur van de maker ruim duizend gedichten telt!

Toen hij in 1866 debuteerde met 'Poèmes Saturniens', veroorzaakte die publicatie nauwelijks een rimpeling in de vijver van de Franse poëzie, en die werd dan nog vooral opgemerkt door collega-dichters. Toch bleek het achteraf een belangrijk moment. Verlaine was namelijk één van de eersten die allerlei effecten opnam die je tot het Impressionisme mag rekenen zoals: uitzonderingen op de regels van de metrumtechniek; onverwachte eindrijmen; sferische beschrijvingen; een grote rol voor de suggestie. Enkele jaren later werden ze verweven in een aantal van de beste gedichten van de Franse literatuur. Ze vormen de basis van de faam die hij aan het eind van zijn leven nog mocht ervaren.

De 'Biblio-Sonnets' hadden 24 stuks moeten tellen. De dood van Verlaine beperkte de reeks tot dertien overgeleverde teksten. Hulsenbooms vertaling is pas de vierde; Ed Schilders noemt een Tsjechische (al uit 1932), een Portugees-Braziliaanse (2010) en een Italiaanse (2015). Voor zover mij bekend vertaalde niemand één of meerdere gedichten uit de reeks in het Nederlands, ook niet Raf Tehuan in 'Paul Verlaine - Poète Maudit' (1974) en evenmin Peter Verstegen in 'Honderd Gedichten' (2014), om maar enkele vertalers te noemen die een persoonlijke keuze uit het oeuvre in boekvorm publiceerden. Dat is merkwaardig want Verlaine produceerde dan wel opvallend veel broddelwerk, vaak uit geldgebrek, maar de 'Biblio-Sonnets' behoren daar niet toe, al kunnen ze ook geen aanspraak maken op alleen lof.






Hulsenboom heeft gekozen voor een procédé waarin met name de effecten goed in het Nederlands overkomen. Hij volgt Verlaine zover mogelijk in zijn rijmschema's maar niet ten koste van de natuurlijke zegging. Zo blijft de opzet van abba - abba - ccd - ede van het openingsgedicht Bibliophilie intact maar wordt het stramien abba- abba - cdd - cee van het volgende gedicht, Bibliomanie, in de Nederlandse versie veranderd in abba - cddc - eff - egg. De vrijheid die Hulsenboom zich gunt is waarschijnlijk het resultaat van de keuze die Verlaine maakte om de a-woorden op één na op te hangen aan participia: ‘fallu’, ‘élu’, (poilu) en ‘relu’. In het Nederlands heb je nu eenmaal niet de mogelijkheid met deelwoorden die scherpte te halen. Alleen degene die op ---an eindigen komen dankzij het accent qua assonantie in de buurt maar ze missen toch evenzeer de kracht van het origineel. In dit geval heeft Hulsenboom terecht gemeend het effect te moeten evenaren met woorden als ‘punt’ en ‘kunt’, ‘smart’ en ‘bard’.


BIBLIOMANIE

Lire n'est rien: faut avoir lu; faut; l'a fallu!
Pour que si vous lisez dans les livres, qu'honore
La Reliure gaie ou sombre, que décore
Encore un blason fier ou tendre au choix élu,

Pourriez, hélas! contaminer d'un doigt poilu
D'amateur brut le vélin noble que, sonore
Abstraitement, la gloire emplit, glaive ou mandore,
D'un grand héros ou d'un poète très... relu!

C'est vrai qu'étant à la fleur de votre bel âge,
Vous auriez tort -quand l'Amour vous laisserait cois
Un instant - de ne pas lire, - tels autrefois

Nous! - les exploits et les beaux vers, quittes, hommage
Suprême, à vénérer, dès dûment reliés,
Leur majesté, leur force et... leurs dos repliés!



Met niet minder lexicale vreugde trekt Hulsenboom een gelijkwaardige Nederlandse variant uit zijn vertalershoed:



BIBLIOMANIE

Niks lezen! Uitgelezen, klaar met lezen, punt!
Want als u werken leest, waaraan de Boekband eer
Bewijst, modest of bont, gestempeld met een teer
Of trots blazoen van excellente klasse, kunt

U met een onvervaarde vinger -tot uw smart! –
Het nobele velijn bezoedelen dat, schier
Melodisch is gedecoreerd met zwaard of lier:
De glorie van een held of vaak... herlezen bard!

U zou waarachtig dwalen als u in uw gulden
Jaren - nu en dan van Eros' vuur bevrijd –
Zich niet verdiepte -zoals wij in vroeger tijd -

In epos en lyriek, voldaan om - hoogste hulde –
Voortaan voorgoed gebonden, zonder weg terug,
Te dwepen met hun pracht... en hun gebroken rug!



‘Eer’, ‘teer’ en ‘schier’ en ‘lier’ lijken qua klank zoveel op elkaar dat ik hierboven met iets meer tolerantie ook vier maal a had kunnen tikken in plaats van twee maal a en tweemaal d.
Ook is duidelijk te zien dat Hulsenboom met woorden speelt die in beide talen dezelfde werking en betekenis hebben (blason-blazoen, gloire-glorie) alsmede met woorden die een Latijnse achtergrond hebben (modest, excellent, nobel, melodisch, gedecoreerd). Net als Verlaine hanteert hij vaak archaïsmen. Sommige vallen samen met hun Franse achtergrond maar hij pakt ook heerlijk uit met Germaanstalig erfgoed (onvervaard, smart, bezoedelen, schier, bard, waarachtig). In dat opzicht evenaart de Nederlandse vertaling het origineel. Om de regels soepel te houden trekt Hulsenboom o.a. meerdere woorden samen (majesté en force bijvoorbeeld tot pracht, dat beide elementen overlapt en daarnaast macht en kracht oproept).
De grootste uitdaging moet de openingsregel echter hebben geboden, een combinatie die op elke vertalersopleiding kan worden geserveerd. De commanderende toon, ook nog eens inhoudelijk programmatisch, is met de opsomming ‘lire’, ‘faut’, ‘lu’, ‘faut’, ‘fallu’ natuurlijk rijker dan ‘lezen’, ‘uitgelezen’, ‘klaar’, ‘lezen’, ‘punt’ maar Hulsenboom weet wel dezelfde indringendheid weg te zetten, eenzelfde effect. Ook al botst het uitroepteken op de betekenis van leesteken bij ‘punt’, het probleem is stoutmoedig benaderd.
Met ‘kunt’ als bepalend enjambement-woord gaat hij ter wille van een rijm bij het woord ‘punt’ nét een stap verder dan Verlaine.

De waarde van de sonnetten berust op het originele, soms vileine perspectief op het onderwerp, let op de ironie, en de telkens opduikende virtuositeit van de oude vos die Verlaine was geworden. De inhoudelijke kant buiten beschouwing gelaten, boden ze echter geen poëtische vernieuwing. Hulsenboom weet steeds een balans te vinden tussen enerzijds het inhoudelijk navolgen van Verlaines origineel en anderzijds het aansturen op een autonome Nederlandstalige beleving.

We zijn nog ver van de integrale omzetting van Verlaines gedichten -gelet op de talrijke dieptepunten is die ook niet wenselijk- maar dankzij Hulsenbooms inzet is wél een relevant stukje taalplezier toegevoegd aan de lyrische legpuzzel van de nog immer fascinerende Pauvre Léliane, zoals de dichter zich, ook alweer spottend, met een anagram omschreef.


Paul Verlaine, Biblio-Sonnetten; Vertaald door Martin Hulsenboom; Uitgave: Stichting Cultureel Brabant; 2016; 112 pp; ISBN: 978-90-822545-2-5.

Deze recensie verscheen iets eerder, in maart 2017, in het culturele tijdschrift Brabant Cultureel.


Zie ook:
Frozen Poets - Beelden, graven en andere sporen van dichters

Nederlandstalige gedichten in Indonesische vertaling

Zie voor ruim 1100 recensies, lang en kort, ook de rubriek KRITIEKEN op www.alberthagenaars.nl